Alle mensen zijn badeendjes

Schelpen, strand, oesters, vis, zee, zwemwater, het IJsselmeer. Er is bijna geen verhaal, novelle of roman van Rascha Peper waarin water niet op een of andere manier een rol speelt. In De waterdame (1990) vond een autistische vrouw de verdrinkingsdood. In Rico's vleugels (1993) liet ze een echtpaar op een eiland een reusachtige schelpenverzameling aanleggen. Een zwembad speelde een belangrijke rol in Russisch blauw (1995), als ontspanningsoord voor een ietwat doorgedraaide historicus. In Een Spaans hondje (1998) worden aan het strand enorme zandsculpturen opgetrokken en in Dooi (1999) kwam een man vast te zitten in het bevroren IJsselmeer. Het voert te ver om het oeuvre van Peper te karakteriseren als een zilte, schubbige, aan getijden onderhevige aangelegenheid, maar woekeren met water is zeker iets waar zij plezier aan beleeft.

In haar nieuwe roman, Wie scheep gaat, speelt zeewater zelfs een doorslaggevende rol in de ontknoping. Mannen in duikerpakken en met zuurstofflessen op hun rug proberen, 105 meter onder de waterspiegel, het lijk van een vrouw te vinden, maar het meest tastbare dat zij in de diepte aantreffen zijn blauwe, plastic badeendjes. Dat klinkt misschien wat eigenaardig, maar wie na enkele honderden bladzijden aan die bloedstollende passage toe is, kan zich alleen maar verbazen over het schijnbare gemak waarmee Peper hier, onder water nog wel, verschillende verhaallijnen met elkaar weet te verbinden.

Anders dan men op grond van de titel zou kunnen denken, wijdt zij zich hier niet aan de scheepvaart. De titel moet spreekwoordelijk opgevat worden. `Wie scheep gaat', zegt een van de romanfigeuren, `moet varen'. En hij bedoelt daarmee te zeggen dat wie ergens aan begint, daar ook een vervolg aan moet geven, liefst met zoveel mogelijk zwier en waardigheid. In het breed opgezette verhaal dat Peper vertelt, gaat een enkeling ook letterlijk scheep en veel zegen lijkt daar niet op te rusten. Het fijne komen we er niet over te weten, maar steeds opnieuw wordt gezinspeeld op een ongeveer 30-jarige Haagse vrouw, Hanna, die ooit het ruime sop koos, samen met een Kaapverdische vriend en die daarbij, na een botsing met een vrachtschip met jacht en al ten onder ging, in de buurt van Agadir, Marokko.

Onderwaterlichaam

Voor de stadsbewoners die haar roman bevolken en die allemaal betrekkingen onderhielden met de zo jammerlijk verdronken vrouw, speelt de zee op de achtergrond steeds een dreigende rol. Zo wordt Gerard, een van die stedelingen, regelmatig bezocht door akelige fantoombeelden. Dan ziet hij een onderwaterlichaam opdoemen voor zijn geestesoog: `Een arm en een schouder die in een patrijspoort zijn blijven steken. Haren, deinend als wier op een onderstroom. Zwarte oogkassen. Een mond wijd open in een laatste schreeuw.' Omdat Hanna geen laatste rustplaats heeft gekregen, althans niet op een ordentelijke begraafplaats met een steen erop, en niemand afscheid van haar heeft kunnen nemen, blijft zij maar steeds rondspoken in de hoofden van de mensen die zij gekend heeft.

Het is een mooi thrillergegeven dat Peper al vroeg introduceert en dat tot het eind toe zijn spanning zal weten te behouden. De leegte wordt hier geportretteerd, zou je kunnen zeggen, de leegte die een vrouw achterliet die twee jaar na haar verdrinkingsdood nog steeds heftig wordt gemist. In de eerste plaats door haar twee gewezen vrienden, Gerard die in New York woont en de Haagse Robin, die haar nog altijd als hun grote liefde zien. Ook haar oude vader denkt nog dagelijks aan haar en verder is er een vijftienjarig nichtje, Emma, dat zich verwant voelt met deze mysterieuze, waaghalzerige tante. Om deze vier personages en hun onderlinge verstandhouding draait het grofweg in Wie scheep gaat: twee rivaliserende exen, een bedroefde vader en een nieuwsgierige puber, uit op nieuwe impulsen. Aan deze vier verhaallijnen voegde Peper nog een vijfde toe, als komische noot, vermoed ik, en ook als middel om de lezer op slinkse wijze extra informatie toe te kunnen spelen. Het vijfde personage dat af en toe in beeld verschijnt is een maatschappelijk geslaagde man, met een directeursfunctie. Maar hij heeft een kleine afwijking. Hij houdt er, hoewel getrouwd, een nogal bewerkelijke manier op na om aan zijn gerief te komen: hij sluipt huizen binnen van vrouwen op wie hij een oogje heeft, nadat hij zich ervan heeft vergewist dat er niemand thuis is. Hij zoekt in de slaapkamer een opwindend slipje uit waarmee hij masturbeert. Naderhand wordt het misbruikte slipje teruggelegd in de kast. Dat zijn oog al doende soms ook valt op brieven en familiefoto's is een aardige bijkomstigheid. Zonder dat hij het zelf in de gaten heeft, krijgt hij zelfs de opzienbarende clou van de roman in zijn plakkerige handen gelegd, op een fraai tersluikse manier.

Het hele verhaal zit soepel in elkaar. Op de vlotte en direct aansprekende manier van de soapserie worden de verschillende personages geïntroduceerd. Woning, werk, school, hobby's, bijzonderheden: al snel zijn we op de hoogte van de grote lijnen, zodat in een volgend hoofdstuk nadere details het beeld kunnen aanvullen. Als je het oude onderscheid tussen vorm en vent zou willen aanhouden, dan behoort Rascha Peper duidelijk tot de zogeheten ventisten. De vorm staat bij haar ten dienste van de inhoud. Zij is bij uitstek een verteller, vergelijkbaar met andere vertellers als Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Jan Brokken, Maria Stahlie, Helga Ruebsamen, Marcel Möring en Leon de Winter. De zinnen zijn bij haar bouwstenen, netjes opgestapeld, weinig op aan te merken, maar ze munten niet uit door beeldende kracht of door een heel eigen zegging. Helder, zakelijk, gedetailleerd, informatief – zo zou je haar stijl kunnen omschrijven. De losse zin doet er niet toe. Die is vooral onderdeel van het grote geheel waar met veel geduld naartoe wordt gewerkt.

Wie scheep gaat is een roman met een ontbrekende hoofdpersoon. Wie Hanna zelf was en hoe bijzonder precies, wordt niet echt duidelijk, maar in zekere zin doet dat er ook niet toe. Zij vertegenwoordigt voor degenen die haar na stonden een hogere maatstaf, en zet hen ertoe aan hun hart te volgen. Alphons, haar vader, kleermaker in ruste, besluit, in navolging van zijn jongste dochter, iets geks te doen en niet te luisteren naar zijn oudste dochter die bang is dat `pappie' zich teveel vermoeit. Hij leeft zich nog één keer uit op een mooi pak voor een oude klant en moet zijn inspanningen met een fatale hersenbloeding bekopen.

Zeemansgraf

Ook zijn kleindochter Emma voelt zich aangesproken door Hanna, de tante die tegen alle conventies in haar eigen weg ging. Emma probeert haar hart te volgen in de liefde en daarmee in de voetsporen van Hanna te treden, maar Robin, een van de twee ex-en van Hanna, vindt haar veel te jong. Zij doet verschillende pogingen hem alsnog te verleiden, maar kiest uiteindelijk eieren voor haar geld. Robin zelf, een fanatieke sportduiker, die na de verdwijning van Hanna zijn draai niet helemaal heeft weten te vinden, besluit op zoek te gaan naar het zeemansgraf van zijn vroegere geliefde. Een spannend avontuur, dat met een sisser afloopt en hem gedesillusioneerd achterlaat omdat hij haar niet vindt. Ook Gerard, de andere ex, slaagt er niet echt in een nieuw leven op te bouwen. Anders dan Robin is hij nogal afkerig van de zee, ook al verdient hij er, als oceanograaf, zijn brood mee. Hij is alleen geïnteresseerd in gegevens over stromingen en afzinkgebieden die hij veilig achter zijn computer kan bestuderen. De meeste tijd besteedt hij aan de tienduizend badeendjes die hij, bij wijze van experiment, heeft laten uitzetten op zee, om er op deze ongebruikelijke manier achter te komen hoe het in de praktijk zit met de stromingen en de afzinkgebieden. Als zijn eendjesproject sneuvelt, omdat er op de universiteit bezuinigd moet worden, schikt hij zich knarsetandend in zijn lot, al krijgt hij nog regelmatig meldingen binnen van her en der op de wereldzee ronddobberende eendjes.

Van één van die duizenden badeendjes krijgen we het levensverhaal te horen, want hij werd door Rascha Peper uitgerust met een denkend brein – niet de meest overtuigende romanpassages, moet ik zeggen. We ontmoeten hem als hij net met duizenden soortgenoten is losgelaten, we zien hem terug als hij heeft weten te ontkomen aan de kou van Antarctica en de scherpe snavels van pinguïns en ten slotte blijkt hij zijn ideale bestemming te hebben gevonden: uit de zee opgepikt en eigendom geworden van een jongetje dat regelmatig met hem in bad gaat.

Voor de meeste mensen lijkt zoveel geluk niet weggelegd. Ze worden afgewezen in de liefde. Ze hebben grootse plannen die op niets uitlopen. Ze kampen met de platonische gedachte dat dit miezerige bestaan niet het echte kan zijn en dat elders, net buiten hun bereik, het ware leven zich afspeelt. Mensen zijn als badeendjes, zo lijkt de mededeling van deze roman te zijn. Ze drijven doelloos rond in een onberekenbare zee. Maar als ze geluk hebben, worden ze door een grote, sterke hand opgetild. Voor een enkeling, zo maakt Peper ons duidelijk in haar misschien wat deemoedig stemmende, maar overwegend toch erg opgewekt klinkende roman, is er enig geluk weggelegd. Maar de meesten zullen genoegen moeten nemen met een bescheiden plek in de woelige baren van het leven.

Rascha Peper: Wie scheep gaat. L.J. Veen. 480 blz. €19,90