Pei's betoverende museumtrap

De architect Pei schonk het Louvre een glazen piramide. Het Historische Museum in Berlijn kreeg deze week een glazen trap. Prachtig, zegt de kritiek, maar met praktische bezwaren.

Het is een onooglijk hoekje binnenstad. Een perceeltje ingeklemd tussen de immense roze barokgevel van een arsenaal en de gele zijmuur van een paleis met dichtgemetselde ramen. Berlijn heeft zijn nieuwe Pei goed verstopt.

In een bochtig en smal zijstraatje van de boulevard Unter den Linden heeft het Deutsche Historische Museum een bijgebouw voor wisselende exposities laten neerzetten. Naast het gele Palais am Festungsgraben en akelig dicht op het roze Zeughaus heeft de Amerikaans-Chinese sterarchitect een helder museum met een betoverende trap geplant. Een klein gebouw van zichtbeton, glas en staal tussen de oude pracht van Berlin Mitte. In een stad waar aan ruimte geen gebrek is, nam Pei genoegen met de Mollergasse.

De omgeving wordt gedomineerd door bouwwerken van Schlüter (Zeughaus) en Schinkel (Altes Museum en Neue Wache). In zijn niche antwoordt Pei met een driehoekig expositiegebouw dat aan een zijde wordt omarmd door een gekromde glazen foyer. Het gaat goed samen, de elegante eenvoud van Pei en de drukte van zijn illustere voorgangers.

Herkenningsteken van het gebouw is een kloeke glazen serpentine waarin een wenteltrap omhoog voert. Het ronde glas weerspiegelt de historische gebouwen in de omgeving en gunt passanten een blik op stijgende en dalende bezoekers. Drie dagen na de opening is Pei's trap al uitgegroeid tot een fenomeen. ,,Iedereen heeft iets met die trap'', zegt directeur Hans Ottomeyer, ,,kijk maar in het gastenboek.'' Ottomeyer spreekt zelfs van een ,,euforische ervaring''.

De praktijktest leert dat de treden zo laag zijn dat de vrees om te struikelen in eerste instantie elk geluksgevoel verjaagt. Maar wie uit de schemering van de ingang klimt naar het glazen dak, wordt onthaald op snel wisselende uitzichten. Het gebouw blijkt een complex geheel van bruggen, trappen en doorkijkjes. De schaduwen van de stalen dragers van de foyer vormen fraaie geometrische vormen op het beton. In de verte wappert de vlag van de Staatsoper.

Het Zeughaus is het hoofdgebouw van het museum. Eind volgend jaar opent daar op ruim 7.000 m² een permanente tentoonstelling over de Duitse geschiedenis. Het kleinood van de grote Pei is met 2.000² een `extraatje', via een ondergrondse gang verbonden met de vierkante kolos uit 1701. De nieuwbouw heet officieel Ausstellungshalle, maar wordt `Pei Bau' genoemd, een verwijzing naar de `Gropius Bau', de belangrijkste expositieruimte in de stad, gebouwd door Martin Gropius.

Wie I.M. Pei (1917) midden jaren negentig naar de Duitse hoofdstad heeft gehaald is onderwerp van tenminste twee legendes. Christoph Stölzl, de vroegere directeur van het museum, schrijft in de catalogus dat hij met een niet nader genoemde dame om een kist champagne heeft gewed dat hij Pei voor zijn bijgebouw zou weten te strikken. Oud-kanselier Helmut Kohl vertelde aan directeur Ottomeyer dat hij een keer bij Francois Mitterrand op visite was en daar een aardige Chinees leerde kennen. Feit is dat Kohl persoonlijk de opdracht voor de nieuwbouw aan Pei gunde, zonder de gebruikelijke wedstrijd.

Op de bovenste verdieping is een kleine tentoonstelling gewijd aan de musea die Pei elders bouwde. De East Wing van de National Gallery in Washington DC, de Rock & Roll Hall of Fame in Cleveland en natuurlijk de verbouwing van het Grand Louvre met de befaamde glaspiramide in Parijs. Pei wordt geprezen voor zijn unieke oplossingen voor elke locatie en omdat hij zijn succesformules niet eindeloos herhaalt. Toch zie je dat hij Parijs nog niet is vergeten. Materiaalkeuze, de gedraaide trap en de grote cirkelvormige uitsparingen in de wanden van het Louvre komen terug voor Berlijn.

Ook de Duitse recensenten zijn voor Pei's trap gevallen, maar hekelen de expositieruimten zelf als benepen en benauwd. ,,Krenterig'', oordeelde Der Spiegel. De Süddeutsche Zeitung sprak van ,,schuiflades'', de FAZ zelfs over een ,,mislukte parkeergarage''. De plafonds zijn er laag en daglicht komt er vrijwel niet. De eerste expositie, Idee Europa, is bovendien zo rijk aan objecten, videobeelden en geluidsfragmenten dat vooral één indruk beklijft: Europa heeft heel veel geschiedenis.

,,Wie dat zegt begrijpt niets van de eisen die conservatie stelt'', zegt Ottomeyer. ,,Als ik die gesloten ruimtes niet had, zou ik geen enkel kostbaar object in bruikleen krijgen.'' Maar, erkent hij, het gebrek aan hoogte is een kritiek punt. ,,Het gebouw heeft een goede basisstructuur, het is wel plat geslagen, naar beneden gedrukt. We waren niet vrij om te bouwen.''

In Berlijn mogen nieuwe gebouwen in een historische omgeving een bepaalde hoogte niet overschrijden, de zogenoemde Traufhöhe, de hoogte van de dakgoot van de buurman. Ottomeyer: ,,Berlijn is verliefd op dat principe en in de stad zijn net zoveel bureaucraten met bouw belast als er soldaten waren in het Pruisische leger. Het is een nominalisme zonder concessies.''

De voorschriften van de Duitse monumentenzorg verhinderden ook dat de binnenhof met een glazen koepel wordt bekroond, ongeveer zoals Norman Foster de Rijksdag vervolmaakte. Pei moest genoegen nemen met een gewelfd glazen dak. De nieuwe constructie past wel binnen de bouwnormen, maar verdraagt zich niet goed met de wetten van de akoestiek. In het midden van de zogenoemde Schlüterhof veroorzaakt elk geluid een twaalfvoudige echo. ,,Dat lossen we op'', zegt Ottomeyer.

Ondanks Traufhöhe, akoestiek en bureaucraten prijst Ottomeyer zich gelukkig. Zijn kamer aan de Spree kijkt uit op de Museumsinsel die miljarden aan renovatie vergt. Geldgebrek zo ver het oog reikt. ,,Nu zou er niemand meer over piekeren zoiets te bouwen in Berlijn. Het is de laatste bloei van een rijke zomer. Wat nu komt weet niemand.''

In de Ausstellungshalle des Deutschen Historischen Museums: Idee Europa, Entwürfe zum `Ewigen Frieden' (t/m 25/8). Overzicht musea van Pei (t/m 22/9). J.F Kennedy, (26/6-13/10).