Nieuwsgierigheid als vak

Het is natuurlijk prachtig nieuws: dat het nieuwe kabinet zoveel geld gaat investeren in onze `kenniseconomie', deze bron van inkomsten waarvan we de rijkdom zelf kunnen bepalen. Want hoe meer aandacht we besteden aan opvoeding en onderwijs, hoe groter de waarschijnlijkheid dat Nederland in de vaart der volken zich weer bij de voorhoede zal voegen. Maar aan de pracht van dit nieuws wordt afbreuk gedaan omdat het zo laat komt.

Onderwijs, op alle niveaus en in alle stadia, hoort misschien al wel een kwart eeuw tot de taaiste der Nederlandse ongerieven. Het zou de moeite waard zijn een zwartboek samen te stellen van alle kritiek, waarschuwingen en protesten tegen het onderwijsbeleid die in de loop der jaren een reeks van kabinetten hebben bereikt. Van alle kanten is het gekomen: uit het lager onderwijs en de universiteiten, van de docenten en de ouders, de hoogleraren en de studenten, de medici, de tandartsen en het bedrijfsleven. En onveranderlijk was de boodschap dat het knarste en wrong, dat er te weinig geld was, en dat ten slotte het land zelf daardoor achterop raakte.

Om een paar recente voorbeelden te noemen. Drie jaar geleden riep de toen al ex-directeur van het hoger onderwijs, Roel in 't Veld op tot ,,burgerlijke ongehoorzaamheid''. Directies van scholen met achterstallig onderhoud, bijvoorbeeld, zouden zonder tijdrovende palavers, meteen een aannemer moeten laten komen en de rekening naar het ministerie sturen. Ouders kregen de raad een proces aan te spannen om beter onderwijs voor hun kind af te dwingen. Het revolutionaire denkbeeld veroorzaakte een paar grote krantenkoppen en verder niets.

Negen maanden geleden. De minister van Onderwijs in het eerste kabinet-Balkenende, mevrouw Maria van der Hoeven, maakte bekend dat 140 miljoen euro op het hoger onderwijs zou worden bezuinigd. Daarop reageerde de heer Loek Vredevoogd, voorzitter van de Universiteit van Leiden, met de mededeling dat de bodem bereikt was en dat de universiteit, om het gat op de begroting te dempen, dan maar een paar etsen van Rembrandt uit de eigen collectie zou verkopen. De voorzitter van de Universiteit Tilburg, Yvonne van Rooy, sprak van ,,een kaalslag. De ondergrens is niet bereikt. Daar zijn we allang doorheen gezakt.''

Opvoeding en onderwijs bewegen zich met de snelheid van een gletsjer in de samenleving. Wat aan de oorsprong erin wordt gedeponeerd, wordt na een zekere tijd als bestanddeel van een soort eindmorene weer zichtbaar. Noem dit het algemene opleidingsniveau. Mankeert aan het begin van die lange gang naar de voltooiing al iets fundamenteels, en wordt het gebrek niet zo snel mogelijk verholpen, dan zal het nooit meer worden goedgemaakt. Anders gezegd, wat een kind niet tussen zijn vijfde en twintigste wordt bijgebracht, zal het nooit meer goed leren. De hiaten in de opleiding waarmee de Nederlandse samenleving zijn nu volwassen wordende generatie heeft opgezadeld, zijn blijvend.

Natuurlijk is een deel van die generatie aan het gebrek ontsnapt, dankzij het geld en de energie van de ouders en de toewijding van de docenten. En de betere talenten uit die bevoorrechte groep zullen zich wel verder ontwikkelen en op hun beurt de continuïteit in hun familie en omgeving bewaren. Dat is plezierig voor de betrokkenen, maar bepalend voor het land is de hoogte van het gemiddelde. Een kleine kenniselite met op het tweede en derde plan de meerderheid die relatief gebrekkig is opgeleid, is de grondslag voor een nieuwe klassenmaatschappij. Die is bovendien minder productief, omdat hoger opgeleiden elkaar nu eenmaal beter begrijpen en dus beter werken. Veel hoog opgeleiden komen met elkaar tot betere prestaties dan een kleiner aantal hoog opgeleiden.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat Nederland, gemeten naar de uitgaven voor wetenschappelijk onderwijs, op de ladder der naties gestaag daalt. Dit kabinet gaat daar een eind aan maken. Onderwijs en onderzoek zullen er de komende jaren een toenemend bedrag bij krijgen, bij elkaar 2,4 miljard euro. Dat nieuws is relatief goed. Blijft het niet bij een vlaag van belofte tot beterschap, dan betekent het dat bij voortzetting van het nu voorgenomen beleid de kinderen die in september voor de lagere school aantreden daarvan beginnen te profiteren, terwijl het voor degenen die omstreeks deze tijd hun opleiding voltooien, voorgoed te laat is. Volgen we de gletsjertheorie, en waarom zouden we dan niet doen, dan zouden we kunnen vermoeden dat onze `kenniseconomie' omstreeks 2020 weer op hetzelfde niveau zal zijn als aan het begin van de neergang. Dat is een optimistische schatting, want daarbij gaan we er vanuit dat de kwaliteit van het onderwijs potentieel nog aanwezig is, en door enige honderden miljoenen per jaar kan worden teruggetoverd.

Dit is allemaal al ruimschoots oud nieuws. Aan D66, de universiteiten en de leiding van het grote bedrijfsleven komt de eer toe, consequent tegen de gevolgen van de verwaarlozing te hebben gewaarschuwd. Dat heeft dus niet geholpen. Daar komen we misschien bij de kern van het probleem. Opvoeding en onderwijs houden de continuïteit in de cultuur, en zijn er tegelijkertijd exponenten van. In de Volkskrant, die een reeks artikelen aan de vraagstukken van de `kennis' wijdt, wordt prof. Henk Volberda, hoogleraar Strategisch Management aan de Erasmus Universiteit geciteerd. Na zijn doorwrochte verklaring te hebben gegeven, komt hij tot zijn conclusie: ,,Zorg voor een goed opgeleide, nieuwsgierige bevolking. Dan weet je zeker dat er iets uitkomt.'' Nieuwsgierig zijn we bijna allemaal geweest. De kunst is, het te blijven. Die kunst moet je leren. Daarmee staat of valt iedere opleiding, en voor menigeen ook persoonlijk plezier en geluk. Die beloning, denk ik wel eens, is in de Nederlandse cultuur vervangen door de onmiddellijke bevrediging van honderden soorten consumptielust, met als apotheose het wegzakken in dikke verzadiging. Gruwelijk.