Is er leven na een sportcarrière?

Veel ex-topsporters blijven na hun carrière `hangen' in de sport. Noodgedwongen vaak, omdat ze geen tijd hadden voor een opleiding toen ze topsport bedreven. ,,Dan zijn ze eind twintig en moeten ze nog eens gaan nadenken wat ze nu eigenlijk willen en kunnen.''

Voor zover ze het nog niet wist, kreeg Carole Thate de bevestiging van niemand minder dan Johan Cruijff zelf. ,,Johan kwam bij feestjes en borrels regelmatig mensen tegen die hem sterkten in de gedachte dat slechts 1 procent van de sporters de top haalt. De rest is aangewezen op zichzelf, en blijft na een sportieve carrière meestal `hangen' in de sport of begint een sigarenwinkel. Dat is op zich niet erg, maar wèl als dat een direct gevolg is van een gebrek aan opleiding en persoonlijke ontwikkeling. Daarom is hij de Johan Cruyff University begonnen.''

Thate (31) is voormalig tophockeyster, lid van de atletencommissie van sportkoepel NOC*NSF en directrice van de door de oud-topvoetballer opgerichte stichting (Johan Cruyff Welfare Foundation) die wereldwijd sport- en spelprojecten opzet en ondersteunt ten behoeve van gehandicapte en kansarme kinderen. Spijt van haar beslissing om een jaar voor de Olympische Spelen van Sydney (2000) een baan te aanvaarden eerst als medewerkster, later als directrice heeft de 168-voudig international niet. ,,Al heeft de sport in mijn laatste jaar wel geleden onder mijn maatschappelijke ambities.''

Slechts sporadisch heeft Thate nog baat bij haar twee, tijdens van haar sportloopbaan afgeronde studies: eerst psychologie, later kinderpsychologie. ,,Het was soms lastig combineren, maar ik had geen keuze. Niet studeren was geen optie. Van hockey kon ik niet leven, voor zover ik dat al had gewild. Op basis van wat ik links en rechts zie en hoor, weet ik dat het niet zoveel uitmaakt wat je hebt gestudeerd, als je maar hebt gestudeerd en die opleiding hebt afgemaakt.''

Mede daarom adviseerde Thate haar partner, de Australische ex-hockeyinternational Alyson Annan (29), een studie te gaan volgen, toen de tweevoudig olympisch kampioene drie jaar geleden op verzoek van de Haagse hoofdklasser HCKZ naar Nederland kwam. De middenveldster volgt sindsdien een heao-opleiding (commerciële economie) aan de Randstad Topsport Academie en loopt sinds kort stage bij Ajax. Thate: ,,Alyson is het schoolvoorbeeld van iemand die is gehard en gevormd door die typische Australische topsportcultuur. In haar geval betekende dat af en toe een cursusje, dat nog wel, maar verder was het ruim tien jaar lang hockey wat de klok sloeg. Pas in Nederland werd ze gedwongen na te denken over haar maatschappelijke toekomst. Inmiddels spreekt ze vloeiend Nederlands, is ze over anderhalf jaar klaar met haar studie en schrijft ze nu voor Ajax een beleidsplan over de interne en externe communicatie. Alyson redt het dus wel.''

Thate maakt zich wél zorgen over haar opvolgsters, de huidige lichting tophockeysters die twee jaar geleden op last van bondscoach Marc Lammers een keuze moesten maken: topsport of maatschappelijke carrière. Thate: ,,Een begrijpelijke eis, gelet op de toegenomen internationale concurrentie. Maar wel één die tot gevolg heeft dat het tegenwoordig nagenoeg onmogelijk is om naast je sport nog een cursus te volgen, laat staan een volwaardige studie. Als die meiden straks zijn uitgehockeyd, staan de meesten met lege handen. En ja, wat dan? Dan ben je eind twintig en moet je helemaal onder aan de ladder beginnen.''

Dennis Rijnbeek (30) deelt die zorg. Tijdens een forum van de Europese atletencommissie, anderhalve week geleden in Tallinn, kreeg de oud-topzwemmer nogmaals de bevestiging van wat hij al geruime tijd vermoedt: onder druk van het veeleisende vak dat topsport heet, schiet de studie er steeds vaker bij in. Na zijn bezoek aan de Estse hoofdstad noteerde Rijnbeek in zijn verslag aan de Nederlandse atletencommissie dan ook het volgende: `Belangrijk is dat de atleet zijn `commitment' wat hij/zij heeft voor de sport, ook gebruikt voor de carrière na de sport. Maar daar moet hij/zij tijdens de sportcarrière al mee beginnen en niet alleen maar met sport bezig zijn.'

Nu de recessie een feit is en het weer dringen is op de arbeidsmarkt, gelden die wijze woorden meer dan ooit, weet de voormalige sprinter die zelf aan twee Olympische Spelen (1996 en 2000) heeft deelgenomen. Rijnbeek: ,,Als ex-topsporter met één of twee Spelen achter je naam had je twee, drie jaar geleden meestal nog een streepje voor. Maar als een werkgever datzelfde cv nu onder ogen krijgt, tezamen met pakweg tweehonderd andere sollicitaties, zal hij eerder vallen over het feit dat de studie áls die al is afgemaakt zoveel tijd in beslag heeft genomen.''

Zelf staat Rijnbeek, die bedrijfseconomie heeft gestudeerd en financieel planner is bij Rabobank, allesbehalve symbool voor de gemiddelde topsporter. ,,Ik was al 23 toen ik bij de kernploeg kwam en studeerde toen al een paar jaar. Voor het zwemmen was ik niet bereid mijn studie op te offeren. Ik moest er ook niet aan denken: twee keer per dag trainen en verder niets. Die leegte wilde ik mezelf besparen.''

In navolging van Thate constateert ook Rijnbeek dat veel ex-topsporters blijven `hangen' in het milieu waar ze jarenlang deel van hebben uitgemaakt. Voor sommigen is dat een weloverwogen keuze, weet hij. ,,Ze willen hun kennis en ervaring verder uitdiepen en benutten, en sturen dus doelbewust aan op een carrière als trainer of coach. Maar ik ken ook voorbeelden van mensen die blijven plakken bij gebrek aan een opleiding en dus aan een alternatief.''

Zaligmakend is topsport op de langere termijn dan ook niet. Oud-toproeister Irene Eijs (36) spreekt van ,,een vak dat belangrijke eigenschappen als discipline en doorzettingsvermogen aanscherpt, maar geen enkele garantie biedt voor je maatschappelijk carrière''. Van harte onderschrijft de oud-voorzitster van de atletencommissie dan ook de visie van Cruijff: ,,Een meerderheid haalt de top niet, ook al hebben ze alles op alles gezet en hun studie dus verwaarloosd.''

Mede door toedoen van Eijs ging drie jaar geleden een diepgekoesterde wens in vervulling: een basisloon voor topsporters (bijstandsniveau). Nog altijd juicht de winnares van olympisch brons (Atlanta 1996) de regeling toe, al signaleert Eijs ook een nadeel. ,,Sporters worden daardoor niet geprikkeld om daarnaast wat aan hun persoonlijke ontwikkeling te doen. Het verschaft hun een soort alibi om de zorgen van morgen voor zich uit te schuiven.''

Zelf koos Eijs bewust voor de combinatie studie-topsport. Met roeien, toch al een `studentensport' bij uitstek, viel destijds al geen droog brood te verdienen. ,,Maar afgezien daarvan: ik wilde daarnaast ook per se studeren. Niet wedden op één, maar op twee paarden zo ben ik. Studeren bood mij bovendien de broodnodige afleiding. In die zin was het ook een soort vlucht: voorkomen dat één tegenvallende training de rest van je dag zou vergallen.''

Eijs rondde haar studie biologie af, maar vond emplooi als research-manager bij een marketingbedrijf in Amstelveen. Van het beruchte `zwarte gat' heeft ze dan ook geen last gehad. Maar de ex-roeister kent ze wel, atleten die na hun actieve (top)sportcarrière in een crisis belanden. ,,Daar zitten schrijnende gevallen tussen. Mensen die jarenlang hun hele ziel en zaligheid in de sport hebben gestoken, en vervolgens van het ene op het andere moment blijken te zijn ingehaald door de tijd. Dan moeten ze nog eens gaan nadenken wat ze nu eigenlijk willen en kunnen.''

Drie types onderscheidt Eijs als het gaat om herintredende ex-sporters voor wie maatschappelijke begeleiding een uitkomst zou kunnen zijn. ,,Ten eerste de groep die noodgedwongen moet aftrainen of wegens een blessure heeft moeten afhaken. Tijd is hun grootste vijand. Ten tweede de groep die geen of onvoldoende opleiding heeft en daarom geen aansluiting vindt. En ten derde de groep die domweg mentale problemen heeft met de omschakeling, en daardoor hopeloos met zichzelf in de knoop komt.''

Opvallend genoeg bevinden zich vooral in de laatste groep sporters met enige naam en faam. Eijs: ,,Mensen die lange tijd in het middelpunt van de belangstelling stonden en maar met hun vingers hoefden te knippen of de sponsor stond klaar met een nieuw paar schoenen. Als al die aandacht in één keer wegvalt, ja, dat is natuurlijk even wennen.''

Nu de financiële crisis ook heeft toegeslagen in het betaalde voetbal zijn ontslagen onvermijdelijk in de bedrijfstak waar tot voor kort de bomen tot in de hemel leken te groeien. Naar schatting zo'n twee- tot driehonderd profs, velen zonder diploma, staan over een paar weken op straat. Veendam gaat de tijdgeest te lijf door spelers steun te bieden bij het opzetten van een eigen bedrijf. De eerstedivisieclub moet bezuinigen, waardoor een aantal werknemers de overgang van full- naar semi-prof moet maken. Thate juicht het initiatief toe, maar: ,,Dat had al eerder gemoeten. Als het kalf verdronken is, dempt men de put.''

Eijs onderschrijft die woorden, en zegt geen medelijden te hebben met werkloze profvoetballers. ,,Al besef ik wel dat het gros nog niet `binnen' is. Toch zullen de meesten het op basis van hun over het algemeen riante salaris van de laatste jaren wel een tijdje kunnen uitzingen.'' Voor degenen die desondanks tussen wal en schip belanden, ziet Eijs een schone taak weggelegd voor de zaakwaarnemers. ,,Die hebben de laatste jaren grof geld verdiend aan hun klanten. Laten ze nu het tegenzit ook hun verantwoordelijkheden nemen.''