Galgenwaard

EN WEER IS een gemeente financieel door de pomp gegaan voor de macht van voetbal. De gemeenteraad van Utrecht stemde vannacht in met een reddingsplan voor de plaatselijke voetbalclub. Een bouwbedrijf krijgt een gesubsidieerde lening van de gemeente om het stadion Galgenwaard te kopen en de gemeente stelt zich garant voor de huurbetaling door de voetbalclub aan de nieuwe eigenaar voor het gebruik van het stadion. Met deze constructie moet een schuld van bijna veertig miljoen euro gesaneerd worden en de FC Utreg behouden blijven voor de nationale voetbalcompetitie.

De gang van zaken in Utrecht is een voorbeeld uit velen. In de eredivisie spelen eigenlijk slechts zes clubs – de `grote drie', De Graafschap, Heerenveen en RBC Roosendaal – die bedrijfsmatig gezond zijn. Bij de overige twaalf is in meer of mindere mate sprake van een financiële crisis en van gemeentelijke kunstgrepen om de clubs en hun stadions te redden. Alleen in Maastricht heeft de gemeenteraad onder leiding van burgemeester Leers (CDA) geweigerd opnieuw gemeentelijke steun aan de eerstedivisieclub MVV te geven. Hoewel daar ook speelt dat de druk wordt opgevoerd om de samenvoeging van drie Zuid-Limburgse clubs te versnellen, verdienen Leers, die ontoelaatbare bedreigingen van de harde kern van fans heeft ontvangen, en de Maastrichtse politici alle lof voor hun standvastigheid.

Het profvoetbal in Nederland is ziek. In de goede tijden zijn te dure contracten afgesloten met de spelers – een matige spits van een middenmoter verdient meer dan de minister-president – de Europese transfermarkt is ingestort, de gouden bergen van de tv-rechten zijn uitgebleven. Bestuurlijk is het vaak een janboel, ook bij clubs waar ervaren zakenlieden het bestuur vormen. De gemeentes, onder druk van de luidruchtige en soms gewelddadige vaste kern van aanhangers van de clubs, zijn bang om een streep te halen door de verstrekking van gemeenschapsgeld. En de KNVB, die de functies van sportkoepel, competitieorganisator en toezichthouder op de clubs in zich verenigt, is veel te laat in actie gekomen om de clubs te dwingen orde op zaken te stellen op straffe van verlies van hun licentie. Toch moet dat een keer gebeuren.

CLUBVOETBAL vervult onmiskenbaar een belangrijke maatschappelijke functie. Het geeft plezier, opwinding en emotie, het is een uitlaatklep en een emancipatieplatform tegelijk. Niet iedereen gaat liever cultureel naar de schouwburg of de concertzaal, stadions zijn tempels van vermaak en podia voor sociale en zakelijke (de skyboxes) ontmoetingen. Overigens ook de locaties waar veldslagen tussen rivaliserende clubaanhangers worden gevoerd die tot veelvuldig politieoptreden nopen. Niettemin valt er begrip voor op te brengen dat lokale bestuurders het Romeinse beginsel `geef het volk brood en spelen' huldigen. Maar dat hiermee jarenlang financieel wanbeleid bij de clubs is toegedekt, is onaanvaardbaar. In Utecht gaat de toegevendheid zelfs zo ver dat de gemeente een particuliere aannemer subsidieert zodat hij het stadion dat hij in opdracht van de club bouwt, kan overnemen. In andere steden rammelen de constructies waarmee met gemeenschapsgeld de clubs of de exploitatie van de stadions gesteund worden, eveneens. Het is de vraag of ze een kritische beoordeling door de Europese regelgeving overleven.

Bestuurders, spelers, sponsors, bemiddelaars en belanghebbenden bij voetbalclubs gedragen zich commercieel. Dan moeten ze ook de gevolgen van de streep onder de winst-en-verliesrekening erkennen. De toekomst van de lokale voetbalclubs in Nederland is niet gebaat bij een gemeentelijke knip die altijd weer getrokken wordt, maar bij zorgvuldige sanering.