Een onderonsje in het droomtheater

AC Milan en Juventus spelen vanavond in Manchester niet de gedroomde finale van de Champions League. Maar ze hebben zich er wel voor geplaatst. Een teken dat twee roemrijke clubs voetballen op een manier die succes oplevert.

Old Trafford, het Theatre of Dreams, is vanavond het strijdtoneel van de belangrijkste voetbalwedstrijd van deze jaargang. In het stadion van Manchester United spelen AC Milan en Juventus niet de gedroomde finale van de Champions League. Maar geen enkele van de tienduizenden Italianen die naar Engeland zijn getogen, zal zich daarover zorgen maken. Het is de avond van het calcio. Voor het eerst heeft het Italiaanse voetbal twee vertegenwoordigers in de eindstrijd van de Champions League.

Het wordt niet de finale tussen de favorieten Real Madrid en Manchester United, maar een duel tussen roemrijke clubs die samen al zeven keer de beker voor landskampioenen hebben gewonnen. Milan vijf keer, Juventus twee keer. Samen veroverden ze 43 Italiaanse titels; Juventus 27, Milan 16. De succesvolste clubs van Italië met de grootste aanhang van Italië Juventus telt mondiaal de meeste supporters.

Het is de finale tussen de rossoneri uit Milaan en de bianconeri uit Turijn, de club van voorzitter, mediamagnaat en 's lands eerste minister Silvio Berlusconi en de club van de familie Agnelli, onder meer eigenaar van het Fiat-concern. Twee grootmachten die de Italiaanse samenleving in het algemeen en het Italiaanse voetbal in het bijzonder hebben beheerst.

De spelers die nu voor Milan en Juventus uitkomen, spelen niet het mooiste voetbal. Hun spel is een mengeling van individuele klasse, kracht, wilskracht, uithoudingsvermogen, strategie en Italiaanse sluwheid, gevoed door de respectieve trainers Marcello Lippi (55) en Carlo Ancelotti (43). In het verleden stonden teams van zowel Milan als Juventus model voor magisch voetbal. Neem het Milan van de jaren vijftig met de fameuze Zweedse voorhoede (Grenn, Nordahl en Liedholm), het Milan dat in 1963 en 1969 de Europa Cup won (met Rivera, Cesare Maldini en Trapattoni), vooral het Milan dat in 1989 en 1990 de Europa Cup won (met Van Basten, Gullit, Rijkaard, Baresi, Paolo Maldini, Ancelotti en Donadoni) en niet te vergeten het Milan dat in de Europa-Cupfinale van 1994 het Barcelona van trainer Cruijff en libero Koeman genadeloos vernederde (dankzij de begenadigde Montenegrijn Savicevic).

Juventus had ook mooie elftallen. Zoals dat van 1985 (met Platini, Boniek, Scirea, Cabrini, Tardelli en Rossi). Juventus won toen de Europa Cup, maar veel emotionele waarde had die triomf niet. Platini maakte vlak na rust uit een onterecht gegeven strafschop het enige doelpunt. Dat leek meer een tegemoetkoming van de Zwitserse scheidsrechter Daina op advies van de Europese voetbalbestuurders aan het Italiaanse leed dat al voor de wedstrijd in het Heizelstadion van Brussel was begonnen. Veertig Juventussupporters vonden die 29ste mei de dood nadat zij door dronken Liverpoolsupporters waren belaagd, uitgedaagd en in de verdrukking waren geraakt.

In 1996 won Juventus voor de tweede maal de Europa Cup, na strafschoppen, tegen Ajax. Het elftal was minder dan in 1997, toen Juventus het mooiste voetbal van de laatste 25 jaar etaleerde. Met de Franse tovenaar Zidane in de hoofdrol. In de halve finale betoverden Zidane en de zijnen in de Amsterdam Arena Ajax om het vervolgens in Turijn nog eens glansvol over te doen. Nooit meer sinds Real Madrid in de jaren vijftig, Ajax in de jaren zeventig en Milan in de jaren tachtig, was er zo oogstrelend gevoetbald in Europa. Maar Juventus verloor in München van Borussia Dortmund. De werkende Duitsers van trainer Hitzfeld waren gelukkiger dan de tovenaars van trainer Lippi.

De voetballers die nu de kleuren van Juventus en Milan verdedigen spreken minder tot de verbeelding. Maar dat beide clubs in de finale staan, zegt voldoende over hun kracht, dat van de Italiaanse competitie en dat van het Italiaanse voetbal, waarover vaak misprijzend wordt geoordeeld. Het voetbal is zelden van grote schoonheid, ondanks de aanwezigheid van technisch zeer vaardige voetballers uit binnen- en buitenland.

Lippi nooit een groot voetballer keerde na twee jaar zonder succes bij Inter Milaan terug bij Juventus. Daar volgde hij de als trainer de allerminst succesvolle Ancelotti op. Lippi smeedde weer een degelijk elftal, met de Tsjech Nedved en de Nederlander Davids als gangmakers, de Italiaan Del Piero als vormgever en de Fransman Trezeguet als afmaker. Lippi is een 's werelds beste trainers.

Ancelotti is, hoe belangrijk hij ook als coachende middenvelder van Milan was voor Van Basten, Rijkaard en Gullit, nog geen succestrainer. Hij dankt het succes van een finaleplaats aan de inbreng van voorzitter Berlusconi, die afgelopen zomer ten einde raad weer eens miljoenen op tafel legde om zijn club uit een kwijnend bestaan te verlossen. Hij kocht onder meer de Deen Tomasson van Feyenoord, de Braziliaan Rivaldo van Barcelona, de Nederlander Seedorf van Inter en de Italiaan Nesta, de beste verdediger van Italië, van Lazio. De aanwezigheid van deze duurbetaalde voetballers biedt nog geen garantie voor mooi voetbal. Maar Berlusconi is tevreden, met een resultaattrainer als Ancelotti die kan bogen op de routine van de verdedigers Maldini en Costacurta en de doortastendheid van spits Inzaghi. Milan staat weer aan de top in Europa.

Alleen nog de rivaal uit Turijn verslaan en Berlusconi omstreden als hij is wordt weer bewierookt in het voetbalgekke Italië, het land van het calcio dat nimmer verloren gaat.