Door en door aanstekelijk en razend muzikaal

Van alle grote componisten uit de tweede helft van de twintigste eeuw was Luciano Berio, die gisteren op 77-jarige leeftijd in Rome overleed, wel de meest verbeeldingrijke. Hij schreef overweldigend aanstekelijke muziek, vol bravoure en joie de vivre.

Een hang naar eenvoud, zoals die spreekt uit de minimal music, en ook new age-maaksels, noemde Berio `stupide'. Sterker nog: alle Amerikaanse muziek achtte hij stupide. ,,Ik ben steeds op zoek naar snelle wisselingen binnen sterk heterogeen materiaal'', stelde hij, ,,ik wil zien hoever je daarin kunt gaan zonder aan logica in te boeten.'' Maar al tastte Berio de grenzen zo ver mogelijk af, zijn overvloedige en rijk gelaagde muziek bleef in hoge mate communicatief, razend muzikaal en uitgesproken sensueel, door en door Italiaans, door en door aanstekelijke `mensen-muziek'.

Luciano Berio werd geboren op 24 oktober 1925 in Oneglia, het huidige Imperia aan de kust boven Monaco. Als jongetje droomde hij ervan de woeste zee te bevaren en later nam hij graag de reis als metafoor om aan te geven dat zijn muziek hem naar diverse plaatsen had gevoerd waar hem steeds weer nieuwe ontdekkingen te wachten stonden (Milaan, Tanglewood, Darmstadt, enz.). De Berio's waren professionele musici. Zo kreeg hij les van zowel zijn grootvader Alfonso als van zijn vader Ernesto. De eerste achtte hij het hoogst als een muzikant die even gemakkelijk missen componeerde als dansmuziek. Dat was typerend voor Berio.

Aan het Milanese conservatorium kreeg Luciano Berio les van Giorgio Ghedini en hij bekwaamde zich tevens als pianist en klarinettist. Vandaar dat aan het begin van zijn compositielijst een klarinetconcert prijkt, de vorm die het meest communicatief is en hem het meeste lag.

In Tanglewood ontmoette Berio in 1950 Luigi Dallapiccola die nog bij Webern had gestudeerd en zijn idioom een definitieve wending geven zou. Ook leerde hij daar de Amerikaans-Armeense zangeres Cathy Berberian kennen. Zij werd zijn eerste vrouw – Berio was drie keer gehuwd – later wel de `seriële Callas' genoemd. In Nederland sabelde de behoudende muziekpers de nu legendarische Berberian neer als een onbeduidende cabaretière met een kleine stem.

Voor Cathy Berberian schreef Berio werken als Tema en Omaggio a Joyce, een fonetisch onderzoek dat paste in de experimenten van de Studio de fonologia musicale die hij in 1955 in Milaan oprichtte met zijn vriend Bruno Maderna. Een doorbraak betekende Circles (1960), waarin Berberian zich theatraal had te bewegen tussen harp en slagwerk – steeds duidelijker werd waarheen Berio's werk zou voeren.

Passaggio (1962) was het eerste echte muziektheater waaruit tevens een politiek engagement sprak. Het zou verder leiden naar opera's als La vera storia, Un re in ascolto op teksten van Italo Calvino. In Cronaca del Luogo (1999) op tekst van zijn derde echtgenote en gecomponeerd in opdracht van Gerard Mortier voor de Salzburger Festspiele, is een `muzikale handeling' die als een kroniek van een plaats de geschiedenis van de aarde behandelt, van Genesis tot Apocalyps, en zelfs is te beschouwen als de vijftien miljard-jarige geschiedenis van de kosmos, van Big Bang tot Big Crunch.

Nog succesvoller waren zijn experimenten in kleinere vorm: de serie solo-sequenza's. In Chemins bouwde hij die uit voor meerdere instrumenten tot een orkest toe. Heel zijn oeuvre beschouwde Berio als één work in progress.

Nog het meest tot de verbeelding sprak eind jaren zestig zijn Sinfonia voor acht stemmen en orkest, gebaseerd op Mahlers scherzo uit de Tweede symfonie en doordrenkt met citaten van Bach tot Berio zelf. Het lag voor de hand dat Pierre Boulez hem naar zijn Parijse onderzoekscentrum IRCAM (Institut de recherche et coordination acoustique/musique) haalde waar hij van 1974 tot 1980 werkte als directeur.

Toch was Berio daar niet echt gelukkig. Hij had een hekel aan puur elektronische muziek en zag geheel niets in computerexperimenten, voor hem een doodlopende weg. Er moesten musici op het podium verschijnen, met hen wilde hij werken. Ook ontdekte hij de laatste jaren steeds meer de folklore. Folksongs (1964) was nog zoetelijk, Voci klinkt krachtig en kruidig, complex en communicatief, onovertroffen en ontroerend.

www.nrc.nl muziekfragmenten Berio