Den Haag is tevreden, de kiezer niet

De Haagse politiek is weer overzichtelijk geworden. Maar wie meent dat met het marginaliseren van de LPF ook het ongenoegen is verdwenen, maakt een cruciale fout, meent Mark Kranenburg. Overheid en burger dreigen uiteen te vallen in twee gescheiden circuits.

De normalisering is voltooid. Nederland wordt sinds gisteren weer geregeerd door oude, vertrouwde gezichten en partijen. De nieuwkomers die een jaar geleden met veel lawaai het politieke bestel binnendrongen, zitten veilig en gedecimeerd opgeborgen in de oppositie. Nieuwe politiek? De geprolongeerde minister-president Balkenende kon er gisteren tijdens een persconferentie slechts zijn schouders over ophalen.

Het is voorbij. Met de komst van het kabinet van CDA, VVD en D66 is het roerige politieke jaar 2002 definitief begraven. Het jaar waarin een aanzwellende stroom jammerklanken klonk over het in zichzelf gekeerde politieke establishment en vervolgens politieke reputaties omver werden gekegeld. Niets lijkt er meer van over.

Geregeerd wordt er weer zoals altijd werd geregeerd. Dan eens over links, dan eens over rechts, met als constante factor het CDA stevig verankerd in het midden. Wordt dat `rare' jaar 2002 even buiten beschouwing gelaten, dan is er over een wat langere termijn bezien in het politieke krachtenveld eigenlijk niets wezenlijks veranderd. CDA en VVD schommelen gezamenlijk al meer dan 25 jaar als twee communicerende vaten tussen de zeventig en tachtig zetels. De ene keer voldoende om samen een coalitie aan te gaan, de andere keer te weinig, waardoor naar andere coalities gezocht moest worden. Zo ook bij de jongste verkiezingen van 22 januari, toen CDA en VVD vier zetels te weinig behaalden voor een meerderheid. Via een ingewikkelde omweg werd D66 erbij gehaald en was de benodigde meerderheid, zij het bescheiden, alsnog daar.

Een kabinet van CDA, VVD en D66: een nog niet eerder vertoonde, maar toch begrijpelijke combinatie. Op de door sociaal-economische factoren bepaalde links-rechts as staan de partijen naast elkaar. Volgens oude politicologische coalitiewetten is dit nog altijd dé basisvoorwaarde voor samenwerking. Niet voor niets waren de drie partijen het in twee weken eens over een regeerprogramma. CDA en VVD zaten al op één lijn, terwijl de politieke pygmee D66, beschikkend over zes van de 78 coalitiezetels, natuurlijk niet te veel stampei kon maken. En zo is iedereen tevreden. CDA en VVD zijn verzekerd van continuering van hun vorig jaar begonnen kabinetsbeleid en D66 hoopt met een zichtbare plaats bij de macht op continuering van het eigen voortbestaan.

Maar ook aan oppositiezijde is er geen reden voor al te veel geklaag. Door de overstap van D66 naar het kabinet is er alvast één concurrent minder voor PvdA, GroenLinks en SP. De PvdA, dankzij Wouter Bos weer bijna net zo groot als vóór 15 mei vorig jaar, hoeft zich door het uitblijven van een coalitie met het CDA niet in allerlei bochten te wringen om een bezuinigingspakket van 15 miljard euro te verdedigen. Nu kan de PvdA gewoon tégen zijn. En de andere linkse oppositiepartijen? Zij weten: tegen rechts beukt het altijd een stuk eenvoudiger dan tegen links.

Kortom, iedereen in Den Haag kan eigenlijk tevreden zijn. Alles is weer heel overzichtelijk. Het absorbtievermogen van het Nederlandse systeem heeft volop gefunctioneerd. De `opstand van de kiezer' van een jaar geleden is in de kiem gesmoord, volgens de beproefde methode van de repressieve tolerantie. De `politieke vrijbuiters' die zich namens Pim Fortuyn manifesteerden, kregen vorig jaar zomer door middel van kabinetsdeelname onmiddellijk medeverantwoordelijkheid in de schoot geworpen. Binnen de kortste keren viel het LPF-smaldeel uiteen: de gouvernementele kant kon eenvoudig worden geïncorpereerd in het beleid van CDA en VVD. De revolutionairen van de beweging van 15 mei deden zoals revolutionairen zo vaak doen: ze aten elkaar op.

Het resultaat is bekend: bij de vervroegde verkiezingen transformeerde de LPF van een nauwelijks te negeren politieke factor tot een politieke splinter. Een proces dat gisteren werd voltooid met de vervanging van de nog resterende LPF-bewindslieden door politici van traditionele partijen. In partijpolitieke termen is de electorale revolutie van vorig jaar mei verwerkt, maar de vraag is of dit ook geldt voor de aanleiding van de uitbarsting van ongenoegen die Den Haag toen op zijn kop zette. Juist op dit punt is de `oude' politiek wel heel erg snel overgestapt op business as usual.

Wie meent dat met het marginaliseren van de LPF ook het ongenoegen is verdwenen, maakt een cruciale fout. Fortuyn heeft vorig jaar haarscherp het conflict blootgelegd tussen burgers en overheid. Er is sprake van een regelrechte vertrouwenscrisis die veel verder gaat dan de aloude klacht uit het koffiehuis dat `ze' in Den Haag er een puinhoop van maken. Die klacht werd gevoed door het idee dat er een puinhoop werd gemaakt van `hun' overheid. Maar de revolte van vorig jaar liet zien dat grote groepen burgers de overheid meer en meer beschouwen als een regelrechte tegenstander. Overheid en burgers dreigen uiteen te vallen in twee gescheiden circuits. Dat is een veel fundamenteler probleem dan niet begrepen worden.

Het beangstigende is, dat de nieuwe coalitie nog niet heeft laten zien enig oog voor deze maatschappelijke onderstroom te hebben. In het regeerakkoord van CDA, VVD en D66 wordt ,,iedereen'' opgeroepen mee te doen: ,,Met werk, met vrijwilligersactiviteiten, in het verenigingsleven op school en in de buurt.'' Want, zo staat een paar regels verder, niet alles kan van een ander of van de overheid worden verwacht.

Het probleem is juist dat grote delen van de samenleving reeds veel eerder tot de conclusie zijn gekomen dat niet alles van de overheid kan worden verwacht. Men kan het heel goed af zónder overheid en beschouwt juist daarom de overheid als een tegenstander. Individualisering vertaalt zich ook in maatschappelijk gedrag.

De onvrede van een jaar geleden bestond uit een optelsom van particuliere ongenoegens: van de verpaupering in de oude wijken tot de Oostblok-regelgeving in de gezondheidszorg. Voor alle klagers gelijk was de autistische reactie vanuit Den Haag.

In zijn herdenkingsrede op de dag na de moord op Fortuyn had Eerste-Kamervoorzitter Braks het vorig jaar over de ,,grauwsluier van gesloten netwerken'' die ter discussie was gesteld. De hemeltergende kabinetsformatie van de afgelopen maanden heeft laten zien dat die grauwsluiers nog altijd worden gekoesterd.

Niets wijst erop dat werkelijk lessen zijn geleerd van vorig jaar. Een risicomijdend kabinet, goed vertrouwd met de Haagse mores, gaat zich toeleggen op het orde brengen van de overheidsfinanciën. Het opstandige electoraat vroeg een jaar geleden wat anders. En zal dat straks ongetwijfeld opnieuw doen.

Mark Kranenburg is redacteur van NRC Handelsblad.