Aloude machtsvraag verdeelt EU-Conventie

Wanneer de voorstellen van de leiding van de Europese Conventie definitief in een constitutioneel verdrag (grondwet) worden opgenomen, wint het Europees Parlement aan macht. Bij recente verdragswijzigingen in 1997 op de top in Amsterdam en in 2000 op de top in Nice was dat ook een belangrijk gevolg. Dit keer zou het Europeese Parlement onder andere voor het eerst medezeggenschap krijgen bij een deel van het landbouwbeleid, veruit de grootste post op de EU-begroting.

De leiding van de Conventie stelt voor dat de Europese ministers voortaan meer dan tot nu toe besluiten nemen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en afzien van vetorecht. Maar over het aantal landen dat zo'n besluit kan tegenhouden bestaat verschil van mening. De Conventieleiding stelt bijvoorbeeld voor op het terrein van het asiel- en immigratiebeleid over te gaan naar meerderheidsbesluitvorming. Daarentegen worden belastingzaken en buitenlands beleid expliciet genoemd als terreinen waarop het vetorecht van kracht blijft.

Het presidium van de Conventie stelt verder onder meer voor de volgende punten in een eerste Europese grondwet op te nemen:

De EU erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese burgers, dat in 2000 is vastgesteld.

De EU vereenvoudigt wetgevingsprocedures.

De bevoegdheden van de EU en van de lidstaten worden omschreven.

De nationale parlementen kunnen EU-initiatieven stoppen als deze tot de nationale bevoegdheden behoren. Ze kunnen desnoods een beroep kunnen doen op het Europese Hof van Justitie.

De bevoegdheid van de EU met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de EU, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leidien tot een gemeenschappelijke defensie.

Het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de EU en door de lidstaten.

Besluitvorming over het buitenlands en veiligheidsbeleid geschiedt in de regel geschieden met eenparigheid van stemmen in de Raad van Ministers (van Buitenlandse Zaken). Voor enkele uitzonderingen volstaat een gekwalificeerde meerderheid, tenzij een land een beroep doet op ,,vitale nationale politieke redenen''.

De EU stelt maatregelen vast voor de coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.

Het meerjarig financieel kader wordt, na goedkeuring van het Europees Parlement, vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

De Europese Commissie kan zonder instemming van de ministers van Financiën een lidstaat waarschuwen die het stabiliteitspact schendt.

Een EU-land dat de normen van het stabiliteitspact overschrijdt, mag zelf niet meebeslissen over de aanbevelingen die het krijgt om zijn economisch beleid aan te passen.

De eurogroep (de ministers van Financiën van het eurogebied, in casu twaalf van de vijftien EU-landen) kiest voor de periode van twee jaar een vaste voorzitter. De eurogroep kan de normen van het stabiliteitspact aanpassen zonder instemming van de ministers van de andere EU-landen.

De EU-landen kunnen, na instemming van het Europees Parlement, eenstemmig besluiten tot het instellen van een Europese officier van justitie voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit.

De lidstaten kunnen besluiten zich uit de Europese Unie terug te trekken.