Vrouwen en dieren

In 1792 publiceerde Mary Wollstonecraft A Vindication of the Rights of Woman waarin gesteld werd dat vrouwen opzettelijk dom werden gehouden. Wollstonecraft wilde daar verandering in brengen en zag veel in de ontwikkeling van goed onderwijs. Een adequate opleiding zou vrouwen tot goede echtgenotes, moeders en capabele krachten voor verschillende beroepen maken. Daar kon de gehele samenleving van profiteren. Een absurde gedachte, zo meenden veel van haar tijdgenoten. Een van hen, de filosoof Thomas Taylor, schreef daarom het satirische A Vindication of the Rights of Brutes. De satire van dit geschrift lag daarin dat Taylor de argumenten van Wollstonecraft erin overnam en toepaste op dieren. De boodschap was duidelijk. Te pleiten voor de rechten van dieren was absurd en daar dit heel goed mogelijk was met gebruikmaking van de redeneringen van Wollstonecraft, was volgens Taylor afdoende aangetoond dat het even absurd is om je bezig te houden met de rechten van vrouwen.

Uiteraard zou Taylor zijn punt nooit op die manier hebben kunnen maken als hij met zijn vergelijking tussen vrouwen en dieren niet had aangesloten bij cultureel geaccepteerde denkwijzen. Het was met andere woorden in Taylors tijd niet vreemd om vrouwen en dieren met elkaar in verband te brengen. Vrouwen werden geassocieerd met de natuur en met dierlijkheid en mannen met cultuur en redelijkheid. Vrouwen werden op deze wijze als mindere mannen beschouwd en daarmee als mindere mensen. Die gedachte bleef tot in de negentiende eeuw standhouden. Zij zou zowel door mannen en vrouwen nog lang verkondigd worden.

Het is natuurlijk niet vreemd dat het geschrift van Wollstonecraft en de reactie van Taylor wel door feministen is aangehaald om aan te tonen hoeveel weerstand het denken over vrouwenrechten ooit heeft opgeroepen. Maar het kan niet gezegd worden dat hedendaagse feministen nog dagelijks naar deze achttiende-eeuwse twist verwijzen. Heel anders ligt dat voor hedendaagse dierenbevrijders, waaronder de immens populaire Australische filosoof Peter Singer. Hij is van mening dat er nog wel wat uit de controverse Wollstonecraft/Taylor te halen valt. Sterker nog, hij gebruikt deze als vertrekpunt voor een pleidooi voor dierenrechten.

Dat gaat als volgt. Allereerst wijst Singer op de absurditeit van Taylors reactie op Wollstonecraft. Taylor had ongelijk, zo stelt hij, want vrouwen en mannen zijn gelijk. Door die gelijkheid is het onbetwistbaar dat vrouwen dezelfde rechten hebben als mannen. Over dieren kan dat niet gezegd worden want anders dan vrouwen zijn deze wezens niet gelijk aan mensen. Ja toch? Nee. Op het moment dat de argeloze lezer geneigd is met de logica in te stemmen, legt Singer zijn kaarten op tafel. Mannen en vrouwen zijn niet gelijk, geeft hij triomfantelijk aan. Vrouwen eisen namelijk het recht op abortus op `as part of their equality package' terwijl een man helemaal geen abortus kan ondergaan. Een duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen. Maar daarmee wordt toch de gelijkheid van vrouwen en de daarbij behorende rechten niet aangetast. Waarom, gaat Singer vrolijk verder, zou men dan ook niet op vergelijkbare wijze voor dierenrechten kunnen pleiten? Dieren zijn immers net als vrouwen niet gelijk aan mannen. Als vrouwen rechten hebben, ook al zijn zij niet hetzelfde als mannen, waarom dieren dan niet?

In feite komt Singer zo via een omweg weer op de redenering van Taylor met als enige verschil dat hij het wel legitiem vindt om voor dierenrechten te pleiten omdat vrouwen ook rechten hebben. Waar Singer aan voorbij gaat is dat hij op deze manier in feite de vergelijking tussen vrouwen en dieren zoals die in de achttiende eeuw bestond, zonder enige scrupules nieuw leven inblaast. En het is maar zeer de vraag of vrouwen daar nu zo blij mee moeten zijn. Singer heeft er geen problemen mee. Hij gaat zelfs zover vrouwen te wijzen op hun lange strijd voor gelijke rechten en moedigt hen aan zich in die zin met dieren te vergelijken. Daarbij stelt hij, weliswaar op vriendelijke toon maar de dreiging is desondanks onmiskenbaar, dat vrouwen zich maar beter achter de strijd voor dierenrechten kunnen scharen. Doen zij dat niet dan moeten zij zich wel realiseren dat de legitimiteit van hun eigen rechten ver te zoeken is.

Kortom, de vergelijking tussen vrouwen en dieren die in de geschiedenis beslist niet altijd goed voor vrouwen is geweest om het maar eens zacht uit te drukken, komt Peter Singer zo goed van pas dat hij er alles voor doet om vrouwen maar vooral op die manier aan dieren geketend te houden. Daarin is hij niet de enige dierenadvocaat. De filosoof Paul Cliteur, eveneens zeer begaan met dieren, deed afgelopen zondag hetzelfde in zijn column voor het programma Buitenhof. In dit stuk ageert Cliteur onder meer tegen deze krant waarin een interview werd gepubliceerd met een liefhebber van stierenvechten. Hij vindt ernstig dat de opvattingen van de geïnterviewde kritiekloos werden neergeschreven en dat de krant ook nog een kadertje plaatste waarin de lezers werden geïnformeerd over waar zij zelf stierenvechten kunnen gaan bekijken. Als je daaraan begint, stelt Cliteur, dan kan de krant ook wel vermelden wanneer in Nigeria Amina Lawal wordt gestenigd. Als service voor de lezers die tijdens hun vakantie dergelijke stenigingen willen bijwonen.

En ja hoor, daar is 'ie weer, de eeuwenoude vergelijking tussen dieren en vrouwen. Amina Lawal als laatste argument tegen dierenmishandeling. Als je dierenmishandeling goedkeurt dan keur je ook vrouwenmishandeling goed, is de boodschap. Cliteur vreest dat er sprake is van een teruggang van onze beschavingsnormen voor dierenleed. Daarmee toont hij zich de optimistische, wat naïeve Verlichtingsdenker die hij is. Hij gelooft in morele vooruitgang en is teleurgesteld als hij die niet aantreft. Maar ook al geloof je met Cliteur in een dergelijke vooruitgang, hoe kun je die dan op het gebied van de behandeling van dieren verwachten als mensen die zich daar voor inzetten, zoals Cliteur en Singer, steeds met die afgesleten vergelijkingen op de proppen komen. De vergelijking tussen vrouwen en dieren staat de vooruitgang in de weg.

Dat bleek al in 1792.