Valsheid en voosheid in Proust vol dubbele bodems

De herinnering is een moeizaam proces, dus komt ook de voorstelling omzichtig en langzaam op gang. Guy Cassiers maakt met het Ro Theater een vierluik gebaseerd op À la récherche du temps perdu van Marcel Proust en deel twee, dat nu klaar is, begint met een scène waarin haast niets gebeurt.

Op een beeldscherm verschijnen en verdwijnen woorden. Pianomuziek komt en gaat. Uit een gat in de vloer steekt een arm, die schielijk terug wordt getrokken. Allemaal ongrijpbare dingen, net als het verleden dat je niet zomaar te pakken krijgt. De enige tastbare figuur in deze opening is een man. Hij komt uit een ander gat en hij vertelt. Heel zacht, met veel stiltes, alsof hij niet alleen naar de verloren tijd op zoek is, maar ook naar de juiste expressie. Zijn onzekerheid wordt benadrukt doordat de vloer sterk helt: dat loopt niet lekker, dat remt zijn bewegingen af.

De vloer heeft tevens een dubbele bodem. Ineens klapt hij als een deksel open, en dan blijkt zich daaronder nog een vloer te bevinden, de echte. Dat wil zeggen: de echte vloer van de theaterzaal. Of de beelden die zich op deze vloer voltrekken echt zijn, dat is nog maar de vraag. Het geheugen is immers even bedrieglijk als toneel, en de zo duidelijk aan zichzelf twijfelende verteller weet in elk geval zeker dat dubbelzinnigheid bestaat.

Alles hier is dubbel. Zelfs de verteller, bij Proust nog een bindende factor, valt in tweeën uiteen. De een is al wat ouder, hij zou de volwassen Marcel Proust kunnen zijn en acteur Paul R. Kooij leent hem zijn lijf en stem. De ander, de jonge Marcel waarschijnlijk, oogt in de vertolking van Eelco Smits als een bleekneuzig jochie. Terwijl Kooij als een schim ronddoolt, begeeft Smits zich herhaaldelijk in het avontuur van het acteren. Maar ook de gespeelde scènes gaan moeizaam. Omdat het vrouwelijke personage eveneens verdubbeld is. Marlies Heuer en Fania Sorel spelen Marcels geliefde Albertine bijna simultaan, in identieke jurken. Jurken als jonge bloemen, maagdelijk wit en door kostuumontwerpster Valentine Kempynck voorzien van kussens op de plekken waar de blaadjes zouden moeten zitten. Marcel junior ontdekt Albertine op het strand, waar zij samen met andere meisjes erotisch zit te wezen. Hij neemt haar mee naar de ouderlijke woning in Parijs, waar zijn jaloezie haar gevangen zet. Gekweld door het idee dat zij lesbisch is, maakt Marcel haar tot slaaf; zijn wantrouwen verstikt ieder initiatief en de ooit zo frisse liefde eindigt in perversiteit.

De ontbinding van deze relatie gaat gelijk op met de ontbinding van de maatschappij. De hogere klassen, waartoe Marcel behoort, helpen zichzelf door hun vals- en voosheid systematisch om zeep en de jongeman die in dit klimaat opgroeit, kan niet anders dan de ziekelijkheid kopiëren. Zijn gedrag zorgt er wel voor dat hij de anderen niet meer zuiver waarneemt. Zelfs de geliefde wordt vreemd en bedreigend, en zowel Albertines tweedeling als het gepraat door grote microfoons roept afstand op en angst, omdat we elkaar volgens Proust en Cassiers niet kunnen kennen. Het gevolg is een voor de toeschouwer ongemakkelijk avondje toneel, waarin bewondering voor Cassiers' doordachtheid, sfeergevoeligheid en gedurfde verstilling afgewisseld wordt door momenten van verveling bij dat trage, soms al te trage, vergaan van de verloren tijd.

Voorstelling: Proust 2: De kant van Albertine, door het Ro Theater. Gezien: 26/5 Rotheater, Rotterdam. Daar t/m 7/6, en van 10 t/m 12/6 in Brussel.