Doorwerken tot 65 jaar is duur

In de jaren zeventig liepen de oudere werkenden die vlak voor hun pensionering stonden, op hun tandvlees. Ze hadden een beurskrach meegemaakt, een wereldoorlog sommigen zelfs twee , lange arbeidstijden, slechte arbeidsomstandigheden, en er bestond nog geen geavanceerde gezondheidszorg. De VUT kwam voor hen als een verlossing. Het was dus het bedrijfsleven dat de helpende hand bood, niet de overheid. Eerst met de VUT en later, toen die te duur werd, met de kapitaalgedekte prepensioenregelingen. Deze geleidelijk verlopen overgang heeft al gezorgd voor een latere pensionering, van gemiddeld 60 naar 62 jaar.

De overheid was blij met die particuliere inkomensvoorzieningen, want anders zou men zich blauw moeten betalen aan ZW-, WW- en WAO-uitkeringen aan oudere werknemers. Het treffen van de hiervoor genoemde voorzieningen werd daarom niet zonder eigenbelang gestimuleerd.

Inmiddels veranderden de werk- en leefomstandigheden en daarmee de inzichten. De oudere werknemers zouden fysiek en mentaal in staat zijn om langer door te werken, mede om het financiële draagvlak voor de Nederlandse oudedagsvoorzieningen te kunnen versterken in een tijd van toenemende vergrijzing.

De overheid wil daartoe haar steentje bijdragen door de fiscale aftrek van VUT-premies op termijn te beëindigen. In dat kader riep de overheid dat de VUT moest worden vervangen door flexibele pensionering. Men bedoelde daarmee, maar sprak dat niet hardop uit, vervroegde en zeker geen verlate pensionering. Want anders zou de toeloop naar de sociale verzekeringen veel te groot worden.

Het desbetreffende wetsvoorstel is echter nog niet ingediend, omdat het impopulair maken van inkomensvoorzieningen die direct voorafgaan aan de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar, niet beperkt kan blijven tot de VUT. Ook de prepensioenregelingen moeten sneuvelen, want nu wil de overheid juist dat mensen langer blijven werken. Dat wordt in het regeerakkoord dan ook voorgesteld.

Maar eerst moet maar eens bewezen worden dat mensen kunnen doorwerken én ook goed functioneren tot de leeftijd van 65 jaar. Waarbij dat `functioneren' ook sterk afhankelijk is van een aangepast arbeidsmarkt-, ontslag- en werkgelegenheidsbeleid, gekoppeld aan een specifiek op ouderen gericht, leeftijdsbewust personeelsbeleid. Kortom: een samenhangend pakket beleidsmaatregelen.

Als die doelstelling wordt bereikt of benaderd, dan pas mag de lat hoger gelegd worden en wordt het realistisch te praten over een pensionering op 67-jarige leeftijd. Laat de politiek haar taakstellingen vooraf maar aangeven: hoever moet bijvoorbeeld het beroep op ZW, WW en WAO zijn teruggedrongen en de arbeidsparticipatie c.q. herintreding van ouderen gevorderd zijn, alvorens de stap naar pensionering op latere leeftijd te durven zetten? Als de politici dat met elkaar afspreken, zijn we verlost van onrijpe ideeën die nog op de dag van hun geboorte ten grave worden gedragen en ondertussen alleen maar onnodige onrust achterlaten. Tenslotte kan een briefje aan de buren (sociale partners) over de verbouwing en de te verwachten overlast geen kwaad.

Mr Rob ten Wolde is directeur Staf Bestuursadvisering bij AZL pensioenmanagement te Heerlen. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.