Contract bouw Europees militair toestel getekend

In Bonn is vandaag, na twintig jaar van touwtrekkerij, het contract ondertekend voor de bouw van het Europese militaire transportvliegtuig A400M. Zeven leden van de Europese Unie en Turkije zullen voorlopig 180 toestellen laten produceren door Airbus Military. Met de order is een bedrag gemoeid van 20 miljard euro.

Grootste opdrachtgevers zijn Duitsland (60 stuks), Frankrijk (50), Spanje (27) en Groot-Brittannië (25). Ook Turkije (10 toestellen), België (7) en Luxemburg (1) nemen deel. Onder het contract staan de handtekeningen van Airbus en Occar, een gezamenlijk wapeninkoopbureau van de Franse, Duitse, Britse en Italiaanse ministeries van defensie. Occar treedt ook namens de andere landen op. Italië en Portugal zouden aanvankelijk ook deelnemen aan het A400M programma, een van de meest ambitieuze plannen uit de Europese defensie-industrie, maar beide landen trokken zich terug. Nederland neemt niet deel aan het project.

Europese landen hebben nooit op grote schaal hun eigen transporttoestellen gefabriceerd. De Frans-Duitse Transall is sterk verouderd; Europese regeringen kochten maar in beperkte mate Amerikaanse vliegtuigen, zoals de Lockheed Martin C-130 (Hercules) en de Boeing C-17. Bij recente grote militaire operaties, onder meer in Kosovo (1999) en Afghanistan (2002) moest het Amerikaanse leger er daarom aan te pas komen om Europese troepen te vervoeren. Ook van chartermaatschappijen uit Rusland en Oekraïne, die met toestellen van Russische makelij vliegen, wordt door Europese landen veel gebruik gemaakt.

De eerste plannen om met een eigen transporttoestel te komen dateren al van begin jaren tachtig, maar onenigheid over de financiën en de techniek leidde steeds tot uitstel. Duitsland was het laatste land waar bezwaren bestonden tegen de financiering van het project, maar vorige week ging de Bondsdag eindelijk akkoord, waarmee de weg voor de bouw van de A400M werd vrijgemaakt. De A400M wordt het eerste militaire vliegtuig dat Airbus gaat bouwen, via zijn dochter (belang van 64,8 procent) Airbus Military. De Europese defensie-industrie rekent op vervolgorders van andere landen en wil daarmee een concurrent worden van Boeing en Lockheed. Noorwegen, Zweden, Australië en Canada hebben belangstelling getoond.

Begin deze maand besloot Airbus de nieuwe vliegtuigen te voorzien van Europese motoren, van het consortium EuroProp en niet van het Amerikaanse Pratt & Wittney, dat goedkoper kon leveren.