Column

Smart

Soms is een weekend fladderig leuk, vlinderig lekker. Zaterdag en gisteren waren voor mij emotionele topdagen. Zoveelste triomf van mijn cynisme. Ik leg het uit. Toen vorig jaar Mart Smeets zijn laatste Tour de France ging doen, werd hij bont en blauw geïnterviewd. Je kon geen krant opslaan, programma aanzappen of je zag Mart. Hij legde het nog één keer uit. Het werd zijn laatste Tour, hij kende het kunstje, op een gegeven moment weet je dat het gedaan is en meer van dat soort geeuwpraat. Ik las het met een halve bril. Waarom? Desinteresse! Ongeloof! Ik zei dat ook tegen mijn omgeving. Ik had het over zinloos krantenvulsel. Journalist start taperecorder om te luisteren naar andere journalist, die zegt dat hij er mee ophoudt, luistert dat later af, werkt het uit, fotograaf moet die kant uit, het artikel verschijnt en wordt gelezen. Allemaal gelul. Incest.

Die Smeets stopt helemaal niet, dacht ik, hij is gewoon een gezond ijdele man, ziet de televisie als een fijne spiegel, heeft absoluut geen last van zijn bekende Nederlanderschap, sterker nog: hij zou niet zonder kunnen. Dit bedoel ik verre van negatief. Ik hou wel van dat soort doorgeslagen type workaholic zoals Mart. Negenentwintig columns per week. Hij schijnt thuis op de wc-rol nog sportweetjes te tikken.

Afgelopen zaterdagochtend pak ik de Volkskrant en wat staat er? Mart gaat vrolijk naar de Tour, krijgt zelfs nog een extra programma erbij en op de vraag dat hij toch zou stoppen, antwoordt Heintje Davids: `Ik ben gevraagd!’

Lief hè?

En dat soort stompzinnige, puur menselijke, zeer herkenbare zwakheden maakt mijn weekend goed. Overal regen, behalve in mijn huis. Mijn computer giechelt terwijl ik dit optik. Mart Smeets stopt. De hele journalistiek tuinde er vorig jaar hemelsbreed in, behalve deze supporter. Jammer dat ik het toen niet opgeschreven heb.