Moi Smeets

De belofte van die mooie zomer van 2002 bleek uiteindelijk te mooi om waar te zijn. Met veel trompetgeschal kondigde toen de dictator van de Nederlandse sporttelevisie zijn afscheid van de Tour de France aan. Met het mijne bonkte ook het hart van duizenden vluchtelingen die zijn verbale schrikbewind sinds jaar en dag waren ontvlucht. De bescheiden en deskundige Belgen van de VRT waren misschien al die tijd zo aardig geweest om ons asiel te verlenen maar niets is zoetiger dan de terugkeer van de vluchteling. Naïevelingen die we waren! Ooit een Saddam of een Kim Jong-il meegemaakt die uit eigen beweging zijn biezen pakt? Daar zijn meestal duizenden Tomahawk-raketten voor nodig.

Dit weekeinde maakte Mart Smeets bekend dat hij met onmiddellijke ingang zijn belofte ging breken ons van zijn woordendiarree voortaan vrij te waren. Bij de volgende Tour zit zijn achterwerk weer op die twee commentaarstoelen. Alsof een emmer drek over je bewustzijn wordt gekieperd. Ik viel flauw: Freddy Krueger is terug op Elmstreet en de nachtmerrie wordt voortgezet. Na eenendertig sombere Tourjaren volgt de tweeëndertigste. Er zullen tal van redenen zijn om deze droeve komedie te verklaren. De ijdelheid van Moi Smeets die er nooit in zal slagen afstand van zichzelf te nemen, zijn grenzeloze afkeer van de jongere generatie opvolgers die aan de poort van het Village départ staat te dringen of misschien de diepe krassen van frustratie die in zijn ziel werden gekerfd toen hij merkte dat zijn afscheidaankondiging door weinigen werd betreurd.

Feit is wel dat we alweer met Ikkie Smeets voor minstens een paar jaar zitten opgezadeld. Met zijn zelfgenoegzaamheid en misplaatste arrogantie, met zijn autoritaire paternalisme als hij renners met zijn plompe boersheid ondervraagt, met zijn laffe onderworpenheid voor alles wat naar Amerika neigt. Maar het ergste is wellicht zijn volstrekte gebrek aan verbeeldingskracht en poëzie. De Tour maakt meestal van een goede journalist een bijna literator. Een dichter die op de vleugels van al die adelaars naar ongekende hoogtes mee mag liften. Maar na dertig jaar is Smeets nog steeds een waterdrager van lauwe clichés. Zijn verbale vermogen is dat van een dorre calvinist die het niveau van zijn commentaar op goothoogte bewust laat stagneren. Veel poep en pis, veel fietsende miljonairs, veel obsessies dus. Het is blaffen en nog eens blaffen, behalve wanneer zijn Amerikaanse idool Armstrong hem toestaat zijn zolen te likken. Dan is het kwijlen en nog eens kwijlen.

Daarentegen is de grenzeloze haat van Smeets voor Frankrijk voer voor pathologen. De mannenbroeder heeft weinig op met de barokke Bourgondiërs en als hij het voor het zeggen had, wordt de Tour ieder jaar in Texas gehouden. Smeets haat niet alleen de Franse renners maar ook de Tourdirectie, het publiek, de cameramensen, de blondines en de brunettes, de croissants, de grassprieten langs de weg. Hij haat de Fransen en hun verbale begaafdheid, hun schouderklopjes, hun kranten en hun koffie. Achter ieder beeld dat op zijn monitor verschijnt, ontwaart hij een chauvinistisch complot. `Dat is Frankrijk, dames en heren!' Smeets is door wat hij het Franse chauvinisme noemt geobsedeerd, als de potenrammer die zijn homoseksualiteit met geweld tracht te verdringen.

Ik heb zelf ook op die soms kleffe, patriottische Franse tv-commentaren wat aan te merken, maar tegelijk moet ik bekennen dat hoe irritant ook, het fenomeen altijd onschuldig en zelfs infantiel blijkt te zijn. Anders dan de volwassen nijd en de rancune die de adem van Smeets jaar in jaar uit de huiskamers inblaast als hij alweer op die hete vervloekte tricolore grond moet vertoeven. Tegen de Volkskrant, die als eerste zaterdag zijn draaikonterij onthulde, repliceerde Smeets: `De Volkskrant, ik ben er allang achter, is een zure kutkrant'. Dit is het niveau van de man. Net onder de enkels.