Mina Bakgraag

Handgift. Eén dag in de week hebben wij een markt voor de deur. Ik doe daar altijd zo vroeg mogelijk de boodschappen. Dat doe ik niet alleen omdat ik een hekel heb aan rijen en aan wachten, maar ook omdat de eerste klant bij een marktkraam kans maakt op een klein folkloristisch ritueel dat ik me niet graag laat ontglippen. Het gebeurt op onze markt lang niet bij alle kramen, althans niet voorzover ik weet. Maar als ik als eerste iets koop bij de groentekraam dan krijg ik op het moment dat ik mijn geld overhandig te horen: ,,God zegen je handgift.'' Soms, als ik voortmaak, lukt het me ook nog om gezegend te worden bij de notenkraam. Bij deze formulering wordt gespuugd, bij de ene kraam op het overhandigde geld, bij de andere op de grond.

Woord en gebruik zijn al zeer oud: het woord komt al in het Middelnederlands voor (het betekent oorspronkelijk `datgene wat men iemand in of op de hand geeft'), en het bijgeloof wil dat de handgift, en dus de eerste koper, geluk brengt. Van Dale vermeldt de uitdrukking de handgift van een man, brengt zegen en geluk an, maar het kan natuurlijk net zo goed een vrouw zijn. Zo schreef de Vlaamse dialectoloog L. De Bo in 1873 in zijn Westvlaamsch Idioticon: ,,Zekere vrouwtjes beelden zich in dat een winkelier moet welvaren, als zij hem handgiften; en insgelijks zijn er bijgelovige verkoopers die voorspellen dat hunne vente den dag of de week zal groot of klein zijn volgens dat zij van zulk of zulk eenen persoon gehandgift worden.''

Van de notenkraam weet ik inmiddels dat er een vrouw is die om dezelfde reden als ik zo vroeg mogelijk boodschappen doet. Wij zijn concurrenten geworden in onze jacht op een half vergane traditie. Toen ik laatst nog voor acht uur 's ochtends bij de half ingerichte notenkraam een pond studentenhaver afrekende, zei de marktvrouw: ,,Ah, u bent eerder, dat zal ze niet leuk vinden.''

Mina Bakgraag.In de brieven die mijn oma in 1943 aan mijn vader schreef, kom ik geregeld de verbinding Mina Bakgraag tegen. Mijn vader, toen zestien, zat indertijd ondergedoken in Den Haag en leerde zichzelf koken. Half plagerig, half complimenteus noemde mijn oma haar zoon Mina Bakgraag. De woordenboeken kennen verschillende Mina's – Dolle Mina, zije Mina – maar tot mijn verbazing ontbreekt Mina Bakgraag, terwijl dit volgens mij nog altijd wordt gebruikt voor `iemand die graag of veel kookt en bakt'. Wie was de eerste Mina Bakgraag? Ergens las ik: ,,Mina Bakgraag was tijdens de Tweede Wereldoorlog een geziene figuur in dag- en weekbladen en tijdschriften. In ingezonden mededelingen gaf zij aan met welke producten, die destijds (nog) niet uitgesproken schaars waren, je heel aantrekkelijke gerechten kon samenstellen.'' Ging het om advertenties van de overheid of van een fabrikant? Wie weet meer?

Zelfingenomen. In de ochtendspits rij ik op mijn fiets langs een drukke weg. Het regent en de spetters op mijn bril beperken mijn uitzicht. Godzijdank zie ik net op tijd een wagen het fietspad op schieten, op weg naar een zijstraat. Ik moet zo hard remmen dat de achterkant van mijn fiets omhoog komt. Ik kan maar net voorkomen dat ik val.

Bij kleine bijna-ongelukken is het gewoon geworden om alleen iets te roepen of te gebaren en dan je weg te vervolgen de taal van de straat. Maar het is volkomen duidelijk dat deze man, die veel te hard reed, mij bijna had geschept. Kennelijk beseft hij dat zelf ook, want hij draait zijn raampje open. Ik zie een man van begin veertig, krullend zwart haar met veel grijs, een verzorgde, beschaafde kop. ,,Man, dat scheelde niks'', roep ik. Ik verwacht dat hij gaat zeggen: sorry, neem me niet kwalijk, mijn fout – iets ter verontschuldiging, het doet er niet toe wat. Maar tot mijn verbijstering zegt hij alleen maar: ,,Nou ja, goed dat ik je gezien heb.'' Dan trekt hij op, alweer te hard. Tevreden met zichzelf, vermoed ik, want nee, hij heeft mij niet bijna van de sokken gereden, hij heeft me gered en daar zou ik hem dankbaar voor moeten zijn. De lul.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl.