Dodental en woede na beving Algerije nemen nog altijd toe

Het dodental van de aardbeving in Algerije is opgelopen tot meer dan 2100. Er bestaat steeds meer kritiek op de Algerijnse regering wegens het uitblijven van hulp.

Nu reddingswerkers hun speurhonden hebben ingeruild voor zware graafmachines, wordt de eindbalans van de beving langzaam duidelijk. Volgens de Algerijnse autoriteiten zijn er per gisteravond 2.162 doden gevonden. Er zouden 8.965 gewonden zijn gevallen. Meer dan duizend mensen worden vermist.

Hulpverleners richten zich inmiddels hoofdzakelijk op de waterbevoorrading en het opbouwen van noodbehuizing in tentenkampen. ,,Het is vrijwel onmogelijk nog overlevenden te vinden. Er zijn alleen doden. We komen te laat'', zei een Poolse arts die hulpeloos moest toezien hoe kraan- en graafmachines gisteren zwart geblakerde lijken van onder het puin haalden.

Bij de bevolking maakten de pijn en het verdriet langzaamaan plaats voor woede over het uitblijven van hulp van de overheid voor de ruim vijftienduizend daklozen. Ook zijn veel mensen boos over de slechte kwaliteit van de gebouwen in de aardschokgevoelige regio. ,,Projectontwikkelaars hebben bespaard op de kwaliteit van het gewapend beton. Op die manier hebben ze meer winst kunnen maken. Dat hebben we met ons leven moeten bekopen'', zei een van de overlevenden tegenover het Franse persbureau AFP. Internationale hulpverleners hebben geklaagd over de geringe en trage medewerking van de lokale bureaucratie.

Bij een bezoek aan de zwaar getroffen stad Boumerdes werd de Algerijnse president Abdelaziz Bouteflika uitgejouwd. Enkele minuten na zijn aankomst werden hij en zijn gevolg door een woedende menigte met stenen en andere projectielen bekogeld. Daardoor werd de president gedwongen de stad overhaast te verlaten. Volgens de Berber-bevolking in het dorpje Bjorn Menaiel heeft het uitblijven van de noodhulp de verhouding tot de centrale regering verder verslechterd. ,,We zijn klaar voor de oorlog als dat nodig is'', schreeuwde een inspecteur van woningtoezicht met gebalde vuisten. ,,Laat ze allemaal naar de hel gaan'', riep een andere man boos.

In Reghaia, 25 kilometer ten oosten van de Algerijnse hoofdstad Algiers, hebben overlevenden burgerpatrouilles gevormd om plunderingen van hun schaarse bezittingen te voorkomen. Tientallen woedende inwoners sleepten een man door de straten van de stad die schuldig zou zijn aan de diefstal van juwelen.

Achttien plunderaars zijn gisteren veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. ,,We worden niet geholpen door de politie'', zei een buurtopzichter, zoals veel mensen in de stad voorzien van een wit masker voor zijn mond tegen het stof en de geur van rottend vlees. Door het warme weer en een chronisch gebrek aan schoon drinkwater bestaat een groot risico voor epidemieën.