De spits eraf

DE VERENIGDE STATEN ZIJN erin geslaagd een nieuw momentum voor het vredesproces in het Midden-Oosten af te dwingen. Hun succesvolle militaire actie tegen Saddams bewind in Irak heeft als neveneffect gehad dat de vastgelopen gesprekken tussen Israël en de Palestijnen een impuls hebben gekregen die in belang niet onderdoet voor de vredesontwikkelingen na de Golfoorlog van 1991. Een `marsroute' biedt na bijna twee jaar van terreur en vergelding zicht op vrede. De aanvaarding door het Israëlische kabinet van dit internationale vredesplan is een mijlpaal. Vrede is het nog lang niet tussen de twee oorlogvoerenden; het kabinet van premier Ariel Sharon heeft het plan slechts voorwaardelijk geaccepteerd en in beide kampen konden voorspelbare sceptische reacties worden opgetekend. Maar de eerste, belangrijke stap naar toenadering is gezet. Nu moet het Palestijnse gezag laten zien waartoe het in staat is: het stoppen van de zelfmoordaanslagen en andere vormen van terreur.

PRESIDENT Bush maakt zich intussen op voor een reis naar het Midden-Oosten. Dat lijkt prematuur, maar als drukmiddel kan zijn aanwezigheid helpen om het vredesproces op gang te houden. Risico's zijn er wel aan verbonden. Beide partijen willen de onderhandelingen ingaan met zoveel mogelijk voldongen feiten. Beide partijen hebben hun extremisten: fanatici die niets liever willen dan elkaar de zee indrijven. Een paar nieuwe aanslagen, gevolgd door vergeldingsacties kunnen veel van het beetje dat nu is bereikt tenietdoen. Dat zou niet alleen schadelijk zijn voor Sharon en de nieuwe Palestijnse premier Mahmoud Abbas. Het zou ook het gezag van de Amerikaanse president aantasten. Niettemin: Bush met Sharon en Abbas aan de onderhandelingstafel op een locatie in het Midden-Oosten zou een krachtig signaal zijn aan de groeperingen die het vredesproces willen saboteren. Die facties moeten niet worden onderschat, zowel in aantallen als in politieke en militaire slagkracht. Sommige Palestijnse terreurorganisaties mogen zich verheugen in een mateloze populariteit `op straat'. Hun doel is helemaal geen dialoog met Israël. Ze erkennen de joodse staat niet, zijn fel antisemitisch en vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van de gangbare mening in de Arabische wereld. Recht tegenover hen staan ultrarechtse krachten in Israël: vrome joden, kolonisten en anderen die vinden dat het vredesplan een acuut gevaar vormt voor de veiligheid en het bestaan van de staat Israël. Sharons politieke toekomst, en dat van zijn kabinet, hangt mede van hen af.

IN DIT KRACHTENVELD zijn de Amerikanen – met steun van Rusland, de Europese Unie en de Verenigde Naties – al verder gekomen dan menigeen had verwacht. De Palestijnse leider Yasser Arafat is `irrelevant' verklaard. Hij slaagde er niet in een einde te maken aan het geweld en speelt voorlopig een rol op de achtergrond. De ijzervreter Sharon, een oud-generaal die tot nu toe niet kon worden betrapt op een genuanceerd oordeel over het Palestijnse vraagstuk, is na zware Amerikaanse druk over zijn eigen schaduw gestapt en heeft zich geclausuleerd verbonden aan het vredesplan. Door een gefaseerde aanpak moet dat in 2005 leiden tot de oprichting van de onafhankelijke staat Palestina. In april al verraste Sharon in een kranteninterview met de mededeling dat (een deel van) de omstreden nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de strook van Gaza zullen moeten worden ontruimd. Dit is essentieel voor het welslagen van de `marsroute' naar vrede. Israël moet pijnlijke territoriale concessies doen om de stichting van een Palestijnse staat mogelijk te maken.

MAAR DAT IS PAS aan het eind van een aantal afzonderlijk af te ronden fasen. Stap voor stap, luidt het adagium. Het begin is er; daarmee is alles wel gezegd. De haat en de achterdocht staan soepel verlopende gesprekken in de weg. Maar de leiders zien in dat ze aan de rand van een moreel en economisch failliet staan, een precaire gesteldheid tussen oorlog en vrede. Alleen Amerikaanse pressie kan de balans naar de goede kant doen uitslaan.