Wie stopt met koffie wordt weer bang voor spinnen

Wie van zijn spinnenfobie af wil komen, moet tijdens de therapie net zo vaak koffie drinken als daarna, las Ellen de Bruin.

Het is vaak goed de dingen te doen waar je eigenlijk bang voor bent. Dat is in elk geval de gedachte achter veel therapieën tegen angsten en fobieën: gá gewoon dat plein op, láát die spin over je hand lopen, en merk dat er eigenlijk niks ergs gebeurt. `Exposure' heet dat en het moet natuurlijk allemaal zorgvuldig en onder deskundige therapeutische begeleiding, maar dan leren mensen vaak wel degelijk van hun hevige angsten af te komen.

Alleen, soms komen die angsten na verloop van tijd toch weer terug. Eén aspect van de behandeling waardoor mensen sneller in hun oude patroon terugvallen, betreft het gebruik van kalmerende middelen. Als mensen die tijdens de therapie gebruikten, bleken ze weer angstig te worden als ze ermee stopten. De kalmerende middelen deden dus eigenlijk het effect van de therapie teniet, want mensen die er een placebo bij slikten, werden niet opnieuw angstig als ze daarmee stopten.

Hoe kan dat? Volgens psychologen van Northwestern University in Illinois komt het doordat je dingen altijd het best in de praktijk kunt brengen in de context waarin je ze leert. Als iemand tijdens zijn rijlessen altijd de autoradio aanhad, gaat zijn rijexamen met de radio aan ook beter – dat idee. Volgens de psychologen vormt het lichamelijke effect van de kalmerende middelen ook zo'n `context' en treedt er `state-dependent learning' op als je mensen onder invloed van wat dan ook iets leert of afleert: dan beklijft het alleen zolang ze die middelen gebruiken.

Als dat de verklaring is, dachten de psychologen, dan moeten mensen die tijdens de therapie juist stimulerende, dus onrustig makende middelen slikken, ironisch genoeg óók een terugval krijgen, dus weer bang worden, als ze daar na de therapie mee stoppen. En dat bleek inderdaad zo te zijn, schrijven ze in het laatste nummer van Journal of Consulting and Clinical Psychology.

Ze hadden 43 eerstejaars psychologiestudenten met spinnenangst (gemeten met de `Spider Questionnaire') uitgenodigd voor een therapiesessie waar ook een niet giftige, maar wel 15,2 centimeter grote, rozeharige Chileense tarantula aan meedeed. In ongeveer drie uur kregen de therapeuten de studenten zover dat ze de spin over hun hand lieten lopen, op één student na, die hem slechts met een vingertop durfde aanraken. Een week later was er een follow-up-contact met de spin. Zowel tijdens de behandeling als tijdens de follow-up kregen de studenten een kunstmatig fruitdrankje te drinken, waar steeds in de helft van de gevallen heel veel cafeïne in zat. En zoals voorspeld bleken de studenten die de ene keer wel cafeïne gekregen hadden en de andere keer niet, ongeacht de volgorde, bij de follow-up veel banger te zijn voor de spin dan degenen die beide keren hetzelfde spulletje hadden gekregen, ongeacht of daar nou cafeïne in zat of niet.

De psychologen raden hun collega's nu onder meer aan hun cliënten niet bij elke `exposure'-sessie koffie te geven.