Pompen of verzuipen

Jaarlijks stijgt in het Groene Hart het grondwater als gevolg van de rijzende zeespiegel en bodemverzakking. Binnen afzienbare tijd valt daar niet langer tegenop te pompen.

Regent het een paar weken flink in de Ardennen, dan zetten de bewoners van Itteren en Borgharen de zandzakken klaar om het Maaswater buiten de deur te houden. Vanaf de Servaasbrug in Maastricht zijn in zo'n geval schuimkoppen zichtbaar op de snelstromende rivier, die binnen een dag via Den Bosch de Noordzee bereikt.

Zo snel als de Maas reageert op een zomerse wolkbreuk in België, zo traag beweegt het onzichtbare grondwater mee met de zeespiegel. Als twee communicerende vaten staan de Noordzee en het grondwater onder West-Nederland met elkaar in verbinding. De met zout water gevulde zandlaag onder het Groene Hart, die vanaf de Hollandse duinenrij reikt tot Utrecht, dempt de waterbeweging van eb en vloed maar volgt de door het broeikaseffect veroorzaakte zeespiegelstijging. Het zoute grondwater in de zandlaag duwt daardoor steeds harder tegen de onderkant van klei- en veenlagen in de polder, waarin zich zoet grondwater bevindt. Toename van deze `kweldruk' is meetbaar met een peilbuis in het zand: jaarlijks stijgt het grondwater in zo'n buis een centimeter. ``Daar is uiteindelijk niet tegenaan te pompen'', zegt Marc Bierkens, hoogleraar geografische hydrologie aan de Universiteit van Utrecht.

Bierkens heeft uitgerekend dat Nederland steeds verder kopje onder gaat. Nu ligt een kwart van het landoppervlak onder de zeespiegel, de komende honderd jaar komt daar een gebied ter grootte van Noord-Brabant bij. Niet alléén door de zeespiegelstijging overigens; in klei- en veengebieden daalt de bodem, zodat het stijgende water zich makkelijk kan verspreiden. Per meter veen daalt de bodem tot 16 millimeter per jaar door inklinking en oxidatie, het `verbranden' van veen dat door grondwaterverlaging in contact komt met lucht. Ligt er een meter veen in een polder in West-Nederland, dan verwacht Bierkens daar de komende eeuw twee meter stijging van de grondwaterstand: ``Eén meter door de zeespiegelstijging en één meter door bodemdaling.'' De dikte van het veen varieert enorm, van enkele decimeters tot wel drie meter in de Alblasserwaard. Is de veenlaag dun dan bestaat het risico dat deze de kweldruk niet meer op kan vangen. ``Barst de veenlaag open, dan is het einde verhaal'', zegt Bierkens, ``dan kun je de zaak net zo goed onder laten lopen en er een plas van maken.''

harder pompen

Waterschappen moeten steeds harder pompen om de polders droog te houden. Bierkens: ``Hoe groter het hoogteverschil dat een gemaal moet overbruggen, hoe meer pk's nodig zijn om dezelfde hoeveelheid water weg te pompen.'' Dat kan aardig in de papieren lopen. ``Alleen al het installeren van voldoende pompen om het effect van zeespiegelstijging en de toename van de neerslag op te vangen, kost Nederland eenmalig 2 à 3 miljard euro'', rekent Bierkens voor. Tel je daar de onderhoudskosten bij op dan kom je uit op een veelvoud van dat bedrag. ``En dan houd ik nog geen rekening met het effect van bodemdaling en de aanleg van nieuwe bergingsreservoirs.''

Bierkens vraagt zich of dat het allemaal wel waard is: ``Want wat krijgen we er eigenlijk voor terug? Landbouw brengt in ieder geval niet genoeg op om al die kosten te dekken. Kunnen we ons de luxe wel permitteren om het veenweidelandschap met zijn molens en weidevogels in stand te houden? Ik zou eerst eens een kosten/baten-analyse willen zien. Ik heb een dijkgraaf in Noord-Nederland al horen zeggen dat het voordeliger is om land onder water te laten staan dan om extra gemalen te plaatsen.''

Kan Nederland de strijd tegen het water nog wel financieren? Delftse ingenieurs denken voor de komende eeuw te beschikken over een betaalbaar plan: pomp het water terug naar zee nog voordat het de polder bereikt. Cees van den Akker, hoogleraar ingenieurshydrologie aan de Technische Universiteit Delft: ``Als je langs de hele Hollandse kust, vijfhonderd meter landinwaarts, zout grondwater oppompt en terugstuurt naar zee, dan compenseer je daarmee het effect van zeespiegelstijging. Zo beheers je de grondwaterstand en blijven landbouw en woningbouw mogelijk.''

Hoeveel grondwater hij naar de Noordzee wil lozen is nog onbekend. Van den Akker: ``Met modelonderzoek moeten we het plan verder optimaliseren. Worden het één of twee rijen grondwaterputten? Hoe ver kunnen we het water in de duinen laten zakken zonder schade voor natte natuur? Dat is onderwerp van nader onderzoek.'' Maar zelfverzekerd wijst hij er op dat de extra kosten laag zijn vergeleken met de kosten die we nu al maken: ``We pompen nu jaarlijks twee miljard kubieke meter kwel- en regenwater uit de polder naar zee, in dit plan komen daar hooguit enkele procenten bij.''

Marc Bierkens gelooft minder in de maakbaarheid van het watersysteem. Hij pleit voor een leidende rol van grondwater in de ruimtelijke ordening: ``Zorg eerst voor de juiste functie op de juiste plaats. Bouw geen woonwijk op de laagste plekken van Nederland, zoals de geplande 30.000 woningen 7 meter beneden NAP in de Zuidplaspolder, maar reserveer zo'n gebied voor extensieve landbouw of waterberging. Doe je dat toch, dan zit je technisch op het randje. Het leidt beslist tot wateroverlast in kelders, op straten en pleinen.'' Technologie komt op de tweede plaats in de zienswijze van Bierkens, die onnodig pompen liever voorkomt.

Maar hoe we ook pompen, over honderd jaar is de rek eruit, daarover zijn beide grondwaterprofessoren het eens. Bierkens: ``Bebouwing moet de hoogte in, dat is onvermijdelijk, denk aan drijvende woningen en wegen op palen. Anders moeten we de koffers pakken.''

Natuur en landbouw wachten een ander lot: pompen of verzuipen. Van den Akker: ``Hoeveel aardappelen we in de volgende eeuw nog zelf produceren is uiteindelijk een politieke keuze.'' Hij trekt een parallel met de drinkwatervoorziening: ``In de extreem droge zomer van 1976, toen Amsterdam kampte met een watertekort, sloeg de Nederlandse regering het aanbod van Noorwegen af om per schip drinkwater aan te voeren. Het Noorse water was nota bene goedkoper dan het Nederlandse! Zélf kunnen voorzien in drinkwater mag blijkbaar wat kosten.'' De vraag is hoeveel Nederland over heeft voor Bintjes van eigen bodem.