Ook gij, Van Mierlo

You're obsolete my baby

My poor oldfashioned baby

I said baby, baby

You're out of time

(The Rolling Stones – 1966)

Nederland is geen tweestromenland. Nooit geweest en het zal het waarschijnlijk nooit worden ook. Nederland is een delta waar vele rivieren het ingepolderde land doorsnijden. Niet alleen geografisch, maar ook politiek is Nederland een veelstromenland. Dat wordt weerspiegeld in onze geschiedenis, onze cultuur en in ons kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het is een land van minderheden, van geven en nemen, van onderhandelen en concessies, van compromissen en coalities.

Een tweepartijenstelsel heeft het voordeel van de duidelijkheid. De kiezers brengen één partij aan de macht die vervolgens haar programma kan uitvoeren. Winner takes all. En bij de volgende verkiezingen heeft de oppositie dan maar één doel: `Throw the rascals out!' Het nadeel van zo'n tweepartijenstelsel is dat minderheden niet worden gehoord en dat nieuwe partijen nooit een kans krijgen. Het leidt tot een totale polarisatie tussen twee formaties die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden, maar tegelijk onderling verwisselbaar zijn omdat ze beide het midden zoeken.

Even heeft het er op geleken dat Nederland de weg naar een dergelijke politieke tweedeling zou inslaan. Uitgerekend aan D66 is het te danken dat na het mislukte experiment van Balkenende I de tendens naar een bestel dat is gekliefd in twee antagonistische blokken is gekeerd. Door deel te nemen aan het nieuwe kabinet kan D66, al is haar invloed nog zo gering, misschien een klein beetje matiging en redelijkheid inbrengen in het neoconservatieve verbond van CDA en VVD. Je kunt D66 betichten van draaikonterij en opportunisme, maar het zijn tenminste geen zeloten en fanatici.

Nu kan er in ieder geval nog een zwak vrijzinnig en ondogmatisch geluid klinken in het gezelschap van botteriken en benepen boekhouders dat het land gaat besturen. Boris Dittrich, die begrijp ik dus wel. Zijn club, die anders onzichtbaar zou worden als vierde oppositiepartij, verkeert nu in de positie om het kabinet op te blazen. De partijleden die op een congres de deelname aan het kabinet hebben goedgekeurd, begrijp ik ook. Zij dachten: liever wij dan de kermisklanten van de LPF.

Wie ik niet begrijp is Hans van Mierlo. Ook hij heeft steun uitgesproken voor de nieuwe coalitie. Maar hij heeft daarmee alles verloochend waar hij ooit voor heeft gestaan. Hij wilde nu juist die scherpe tweedeling in de politiek. In zijn visie is dat van meet af aan de bestaansreden van D66 geweest. Geen wisselende coalities, geen onduidelijkheid voor de verkiezingen over de kabinetsvorming daarna. Uit die optiek is de deelname van D66 aan Balkenende II een definitieve capitulatie.

Eigenlijk heb ik te doen met Van Mierlo. Denk nog eens terug aan de periode waarin D66 werd opgericht. De verzuiling liep op haar laatste benen. De regenteske politiek werd van alle kanten uitgedaagd. Niet langer waren bevolkingsgroepen een soort stemvee. De televisie had haar intrede gedaan. Er waren katholieken die naar de VARA keken en socialistische vakbondsleden die De Telegraaf lazen. De hokjesgeest, de sfeer van gehoorzaamheid aan het gezag, het gekonkel van elites: alles leek anders te worden. Op straat roerden zich provo's en opstandige studenten, in de journalistiek kwam langzaam de gedachte op dat er ook zoiets zou kunnen bestaan als onafhankelijke berichtgeving in plaats van louter preken voor eigen parochie. Kon het politieke bestel immuun blijven voor de veranderingen? Daar kwamen Van Mierlo en zijn bentgenoten: geen revolutionairen, maar keurige academici en journalisten van het Algemeen Handelsblad en Het Parool. Ook zij vonden het te benauwd. Zij richtten hun pijlen op het partijenstelsel, dat volgens hen volkomen was vastgelopen. Wat moest veranderen was het gebrek aan echte keuzemogelijkheden. Die waren er niet, omdat alles vastlag: links de socialisten, rechts de liberalen en God in het midden.

Drijfveer bij de oprichting van D66 was de noodzaak van vernieuwing van de democratie door het regenteske bestel op te blazen, wat alleen maar bereikt zou kunnen worden met de invoering van een districtenstelsel en de rechtstreekse verkiezing van de minister-president. Op die punten mag Thom de Graaf nu weer eens gaan studeren, maar daarmee komt Van Mierlo's ideaal uit de jaren '60 niet dichterbij. Dat ideaal – een scherpe tweedeling in de politiek – was paradoxaal genoeg alsnog in het vizier gekomen als D66 nu buiten het kabinet zou zijn gebleven. Verenigd rechts – inclusief de LPF – was dan tegenover een verenigde progressieve oppositie komen te staan. Precies zoals Van Mierlo het zich ooit had gedroomd.

Het was nooit zijn bedoeling geweest om nog een stroompje te leggen naast de andere stromingen. Daarom kwam hij indertijd in conflict met Terlouw, zijn opvolger als partijleider, en de regenteske bestuurder Brinkhorst, die pleitten voor een `vierstromenland'. Van Mierlo wilde de hele delta veranderen. Anders had D66 geen bestaansrecht. Die partij was geen doel, heette het, maar een middel tot een omwenteling in het politieke bestel. Afschaffing van de evenredige vertegenwoordiging was het kernpunt. O, ironie, als het kiesstelsel zou zijn veranderd, dan had D66 nu precies nul zetels gehad.

Hoe kan nu iemand instemmen met een coalitievorming die zich heeft voltrokken op een manier die vloekt met alles waar hij zijn hele politieke leven aan heeft gewijd? Ik heb nooit geloofd in de gedachte dat een districtenstelsel en een gekozen premier een soort panacee zouden zijn voor alle kwalen van de democratie. Maar Van Mierlo wel. Kennelijk is hij van zijn geloof gevallen. Het voortbestaan van de partij is ook voor hem belangrijker gebleken dan het vasthouden aan de ideeën waarvoor die partij is opgericht. You're obsolete my baby!

En zo is Van Mierlo ingehaald door de tijd en is zijn politieke

levensdoel, het creëren van een progressieve/conservatieve tweedeling, door zijn partij niet langer relevant bevonden – met zijn instemming.