Hollands Dagboek: Nadette de Visser

Namens Reporters Sans Frontières onderzoekt Nadette de Visser (33) in Israël de dood van twee journalisten. Zij is freelance journaliste, niet getrouwd en woont in Amsterdam. `Ik word wakker van een knal. Een explosie of heb ik het gedroomd?'

Woensdag 14 mei

Ik ben gesetteld, heb appartement met bureau en telefoonlijn van een vriendin tot mijn beschikking en heb mijn belronde gedaan, om iedereen te laten weten dat ik er ben. Dit wordt een drukke week. In ben in Israël voor Reporters Sans Frontières (RSF), een in Parijs gevestigde internationale organisatie die opkomt voor de belangen van journalisten wereldwijd, met name in oorlogsgebieden. Het doel van de reis is een onderzoek naar de dood van twee journalisten, Nazeh Darwazeh, cameraman voor Associated Press Television Network en James Miller, documentaire-cameraman voor onder andere CNN en Channel 4.

Een klein jaar geleden deed ik een soortgelijk onderzoek voor RSF, naar de dood van Imad Abu Zahra. Imad was wat in vaktermen een `fixer' wordt genoemd, een vertaler en netwerker die je als journalist inhuurt als je voor een stuk naar bezet gebied moet. De fixer regelt afspraken met lokale bevolking en organisaties en vertaalt vanuit het Arabisch voor hen die, zoals ik, de taal niet meester zijn.

Mijn reis hierheen is goed verlopen. Checkpoints en paspoortcontroles zijn in Israël het grootste struikelblok en de paspoortcontrole ben ik dit keer zonder kleerscheuren doorgekomen. Voordat ik aan deze reis begon, lag ik daar het meeste wakker van. De vrees is om weer twee uur ondervraagd te worden op Ben Gurion, waarbij je, als het misgaat, je laptop pas na enkele dagen weer terugkrijgt of, erger nog, het land überhaupt niet inkomt. What is the purpose of your visit? Euhm, vrienden opzoeken? Gewoon, gezellig, een tijdje weg geweest en zo. Waarom was je eerder in Israël? ,,Als journaliste.'' Dan gaat vaak de hele molen in werking. Journalist zijn is geen best visitekaartje in het huidige Israël, waar Danny Seaman de scepter zwaait over het beleid ten aanzien van de internationale pers. Wat hem betreft blijven we maar het liefst allemaal weg. Tegen de Israëlische `security' zeggen dat ik voor een onderzoek van RSF naar Israël ga kan het vertrek aanmerkelijk bemoeilijken, dus dat heb ik maar niet gedaan.

Donderdag

Vandaag moest ik naar de Governmental Press Office, om een Israëlische perskaart te halen. Die heb je nodig als je bezet gebied in wilt. Het kantoor blijkt gesloten, omdat de ambtenarij (weer) staakt. Met een verlopen perskaart kun je toch voorbij een checkpoint proberen te komen, maar het is niet aan te raden. Als de officier ter plaatse besluit dat je oude perskaart ondanks de staking niet afdoende is, ben je een hele dag kwijt. Goed, een probleem voor later.

's Avonds met Debbie en Ed uit eten, een vrolijk weerzien. Ed O'Loughlin, de voor Sydney Morning Herald schrijvende Ier, is net terug uit Bagdad en wil na zeven weken aardappelloos door het leven te zijn gegaan een flink bord. ,,Hé, Ed'', zeg ik als hij aan komt wandelen, ,,ik zag je op tv.'' Ed schuift een beetje op en neer op z'n stoel, hm, ja, dat kan wel. Ed was veelvuldig in het nieuws, op met name CNN, omdat hij via een paar Iraakse journalisten een band met de laatste radiospeech van Saddam in handen had gekregen. Debbie Pout, die voor Sky News Australië werkt, baalt nog steeds dat ze Bagdad niet heeft gehaald. Aan de eettafel praten we bij over alle dingen die in de afgelopen anderhalve maand zijn gebeurd.

Vrijdag

Drukke dag. Ik bekijk de beelden van de dood van Nazeh Darwazeh, shot voor shot. Daar word ik niet vrolijk van, het is zwaar om naar deze gruwelijke beelden te kijken. Nazeh Darwazeh wordt tijdens het filmen in het achterhoofd geraakt en is op slag dood. Veel bloed en weefsel, daar krijg je behoorlijk de zenuwen van.

Ik ren van afspraak naar afspraak, want ik moet alle betrokken partijen spreken. Associated Press, het IDF (Israeli Defence Force), getuigen en familie van de overledenen, en andere contacten die mij informatie kunnen verschaffen over de twee incidenten. De komende dagen zijn overvol. Hoe soepel alles verloopt bepaalt hoe voorspoedig het onderzoek in het algemeen zal gaan.De feiten zijn min of meer duidelijk, maar is mijn netwerk effectief genoeg om ook aan informatie te komen die wat minder gemakkelijk verkrijgbaar is? Spannend dus, ook voor mij.

Aan de vooravond galmt uit de Al Aqsa-moskee in de oude stad `Allah u Akhbar'. Het geluid resoneert door de eeuwenoude straten van Jeruzalem en stemt me melancholiek.

Als mijn werkdag erop zit, zie ik vrienden en kennissen die ik heb moeten missen. Om een uur of elf zie ik Ed O'Loughlin die heeft afgesproken met de Ierse ambassadeur, Pat Hennessy, en met Richard Crowley, van de Ierse tv. Later voegt Ferry Biedermann van de Volkskrant zich bij ons. Het wordt een interessante ontmoeting die gelardeerd is met onuitgesproken zaken. `Pat' is zich zeer bewust van het feit dat hij met vier journalisten aan tafel zit en zich als diplomaat niet al te expliciet kan uitlaten, je weet tenslotte maar nooit. Ik weet dat ik met drie journalisten aan tafel zit en niet te veel mag loslaten over het onderzoek. Dat schept een geestige situatie die deels gevuld is met snedige insinuaties en grappen over het onuitspreekbare. Daar loop je al snel tegenaan. ,,Mag je als ambassadeur je voorkeur aangeven voor een bepaalde standplaats?'' ,,Ja, je geeft wel een beetje aan naar welke landen je hart uitgaat'', zegt Pat.

,,Welke landen stonden nog meer op uw lijstje?''

,,Hm, geen commentaar.''

Bij het antwoorden op lastige vragen verschuil ik me vooral achter mijn vorige onderzoek.

Zaterdag

Vanaf vandaag logeer ik in het huis van Ed O'Loughlin, die voor een paar weken welverdiende vakantie naar Dublin is vertrokken. Hij heeft een prachtige woning in Musrara, een buurt die precies op de grens tussen Oost- en West-Jeruzalem ligt. De buurt zoemt van het religieuze gezang van `mijn' joodse buurtgenoten. Het is sabbat en dus neemt vrijwel niemand de telefoon aan. Daarom heb ook ik (noodgedwongen) vrij.

Zondag

Om 5.50 uur word ik wakker van een explosie, althans, ik denk dat het dat is. Diepe en warme knal. Onzin, heb ik gedroomd misschien. Dan hoor ik van alle kanten ambulances toesnellen, de een na de ander, en dan weet je wel hoe laat het is. Ambulances tellen noemen ze het hier ook wel. Tv aan, radio aan, geen nieuws. Niets, zou het dan toch niet? Het is 6.00 uur en ik bel, na enige aarzeling, toch maar Oded Balilty, goede vriend en fotograaf voor Associated Press. Als het een aanslag is, is hij nu onderweg. Oded neemt aan, gejaagd: ,,Nadet, hey, there's been another suicide bombing, I'll talk to you later'', en hangt op. 6.10 uur en nog steeds niets op het lokale nieuws. Ik bel twee freelance journalisten wakker die het nog niet weten. Ik weet niet waar de aanslag is, maar in elk geval buiten Musrara, als je Route no. 1 afrijdt, zeg ik, want daar rijden alle ambulances heen.

6.16 uur, Israëlische tv heeft een reportage over de aanslag. Het blijken er twee te zijn, de eerste op een bus die de French Hill uitreed, richting centrum. De tweede, waarschijnlijk zonder slachtoffers. De eerste beelden, de totale vernietiging, minstens vier doden, 18 gewonden, ik zie Oded op tv. De aanslag valt samen met de eerste besprekingen tussen de nieuwe Palestijnse minister-president Abu Mazen en Sharon. De timing is niet verbazingwekkend, want Hamas kiest vaak dit soort momenten van toenadering om van zich te laten `horen'. Hamas is fel tegenstander van de roadmap, het door de VS opgestelde driestappenplan dat tot de oprichting van de onafhankelijke Palestijnse staat moet leiden. Periodes van overleg worden dan ook dikwijls begeleid door het geweld van Hamas, en de organisatie slaagt er meestal in het overleg weer van de baan te krijgen. 6.49 uur, het dodental stijgt nog steeds, inmiddels zijn er zeven doden, maar bij de eerste aanslag kwam alleen de dader om het leven. Zou hij zich bedacht hebben? Of is het een misser? Je kunt er alleen maar naar gissen.

Maandag

Een van de meest pijnlijke kanten van mijn werk voor RSF is het opnemen van de getuigenissen van vrienden en familie van de overleden Nazeh Darwazeh. Ik moet enigszins starre en feitelijke vragen stellen aan mensen die rouwen over de dood van iemand van wie ze veel hielden. Dat heeft iets naargeestigs, maar het moet gebeuren, en wel zeer precies.

Dinsdag

Het onderzoek vordert, maar niet zo snel als ik graag zou willen. Door de aanslagen van de afgelopen dagen is een aantal contacten moeilijk te bereiken, druk met andere zaken. Ik werk door. Inhoudelijk kan ik over mijn verslag niets loslaten, dat gebeurt pas als RSF het dossier openbaar maakt.

Er wordt aangebeld. Wie weet dat ik hier ben? Er staan twee ultraorthodoxe mannen voor de deur, de ogen stijf dichtgeknepen. Deze heren mogen mij absoluut niet aankijken, want naar vrouwen kijk je niet als je in de ultraorthodoxe buurt Mea Shearim getogen bent. En dat is hier om de hoek. De heren met zwarte jassen, donkere pijpenkrullen en lange baarden staan met dikke boeken onder hun arm en vragen me of ik joods ben. Dat ben ik niet, dus draaien ze zich resoluut om en wandelen zonder verdere plichtplegingen weg. Komen de MIB, `Men In Black', zoals ik ze gekscherend noem, tegenwoordig zelfs `bij u aan huis'? Gratis bij u thuisbezorgd, twee kilo heilig boek, alstublieft, maar u vindt het toch niet erg als ik ondertussen even mijn ogen dicht houd?

Woensdag 21 mei

Via een vriend van de Israëlische pers kom ik op nieuwe contacten, mensen die alleen `off the record' willen praten. Het hebben van een goede naam draagt ver hier, men handelt vaak als persoonlijke gunst, en vertrouwen is gebaseerd op mensen die jouw naam doorgeven. Zonder degelijke contacten loop je tegen een muur van stilzwijgen aan, of verzand je in een doolhof van officiële statements. Er is veel politiek en dus gebeurt een deel van mijn onderzoek zonder vermelding van namen, maar met betrouwbare bronnen. In Tel Aviv ontmoet ik een van mijn contacten die me verder kunnen helpen. ,,Als je de namen maar weglaat in je onderzoek'', werd mij van tevoren op het hart gedrukt. Ik reis per sheroet, of taxibusje vanuit het centrum van Jeruzalem. Er rijden ook reguliere bussen, maar die neem ik liever niet. Hoewel de meeste aanslagen plaatsvinden op stadsbussen en niet op de lijn van Jeruzalem naar Tel Aviv, wil ik geen onnodige risico's nemen. In de bus zit de meltingpot die Israël eigen is. De Iraakse chauffeur vervoert zijn Russische, Ethiopische, Thaise en Amerikaanse passagiers. Terwijl we de bergen van Jeruzalem uitrijden, realiseer ik me opnieuw hoezeer ik aan dit land verknocht ben. Het is een zeer complex land en dat brengt gemengde gevoelens met zich mee. Ik geniet van het uitzicht, het prachtige woestijnland, en realiseer me tegelijk dat links van ons een nederzetting ligt. Ieder stukje van dit minuscule land wordt bevochten en elk stuk van de weg bevat historische demarcatielijnen.

We rijden in een razend tempo, want Israëliërs rijden als gekken, richting Tel Aviv. Absurd genoeg sterven in Israël meer mensen in het verkeer dan bij zelfmoordaanslagen.

De bel gaat. Wie weet dat ik hier ben? Er staan twee ultraorthodoxe mannen, de ogen stijf dichtgeknepen