Het teken van God

Kinderen in de Indiase sloppenwijken leren nauwelijks iets op school. Daarom liet dr. Sugata Mitra een gat in de muur van zijn kantoor maken en zette daar een computer in. Nu staan er 330 computers op 66 locaties voor de kinderen in de sloppenwijken. `Als je hierop drukt, gaat de hele wereld open.'

Het bijzondere aan een sloppenwijk is dat er plekken voorkomen waar geen puin ligt. Sommige straten zijn zelfs begaanbaar en het vuil wordt met verwoed gebezem buiten de deur van de hutten gehouden. Een dagtaak, lijkt het, die vooral jonge meisjes toekomt. Voor de rest is het één grote, zich van niets en niemand iets aantrekkende hoop puin. Langs de straten en paden, tegen de muren en op de daken van de krotten, achter de kramen van de marktlieden, onder de tafels waarop hun waren liggen, in de geulen die voor de afwatering moeten zorgen. Alles keurig aangestampt, en toch in een enorme diversiteit: rode, blauwe, witte en zwarte plastic zakken, groene schillen van kokosnoten, gele mangopitten, glinsterende glasscherven, rode brokken van bakstenen, zilver- en goudpapier uit sigarettenpakjes, uitwerpselen van mens of dier in alle tinten van groen tot bruin.

Aan de zware lucht van schuimend, grijs rioolwater kun je wennen. Aan de vliegen niet.

Voor de rest is een sloppenwijk net als de gewone wereld. Er wordt gewerkt, gerust, gebaard, rondgehangen, gekookt en gehandeld. De winkelier staat lusteloos op als een vrouw hem aanspreekt. Zonder de blik van de zwart-wit tv af te wenden doet hij rijst in een zak, legt die op de weegschaal, haalt er wat uit en schenkt wat bij. Daarna bruine en gele erwten, in een heel klein papieren zakje.

Dat is de dagmaaltijd van de vrouw en haar gezin, veel rijst die een smaakje krijgt door de erwtensoep die eroverheen gegoten wordt. De winkelier gooit de munten in een houten lade en neemt zijn natuurlijke houding weer aan: onderuitgezakt op een metalen stoel met de blik op de tv.

Jongens van zestien tot achttien leunen tegen een kar waar een ezel bij heeft gehoord. Ezels zijn er niet meer in Delhi, de kar doet dienst als hangplek. Ze zijn gekleed als filmsterren en ze grijpen van tijd tot tijd naar hun kruis om te controleren of het allemaal in orde is. Straks zullen ze trouwen en werk zoeken en kinderen verwekken, maar nu zijn ze nog even filmster.

Zo gaat dat in sloppenwijken, maar deze – Madangir geheten en een van de grootste van Delhi – is bij nader inzien minder losgezongen van de grote wereld. Achter een tehuis voor blinden, waar zo'n twintig mannen op lakens liggen te wachten tot ze worden gevoerd, is een groot open terrein. Het was vroeger de binnenplaats van het tehuis, toen men nog ambities had en dacht dat blinden wel eens van een wandeling zouden willen genieten. Maar de wet van de sloppenwijk is dat iedere ruimte wordt ingenomen door de sterkere. En sterker dan de blinden zijn de kinderen van Madangir.

Kubusvormig bouwsel

Het terrein is nu een speeltuin en aan de vier grote bomen hangen fietsbanden aan een touwtje waarmee de kleintjes zich laten slingeren. De speelplaats is verrassend schoon, alleen in de hoeken ligt wat afval. En vlakbij de ingang is er een kubusvormig bouwsel van rode bakstenen met vijf ramen. Achter die ramen flikkeren beeldschermen: van computers.

Drie jaar geleden worstelde een zekere dr. Sugata Mitra met de vraag hoe het moest met het onderwijs aan de armen. Hij wist wat er op de openbare scholen gebeurde. Eén onderwijzer op zestig leerlingen. De onderwijzer onder een afdak en de kinderen in de zon op de grond, in kleermakerszit, met hun schrift op schoot. De onderwijzer onderwijst niet, hij disciplineert, met het meest gebruikte leermiddel in de hand: de roede. De braafste leerling wijst hij aan om het alfabet met de klas op te dreunen. Daarna de cijfers van 1 tot 100. Tot zover taal en rekenen.

Het schoolbord is bijna zo licht als het krijt, als er al krijt is, de landkaarten zijn van voor de onafhankelijkheid van India in 1947, waardoor Pakistan er niet op staat. Maar aan aardrijkskunde of geschiedenis komt de onderwijzer toch niet toe.

De kinderen weten dat ze niets leren en zodra de meisjes de puberteit bereiken en de jongens genoeg lef hebben, blijven ze weg. De meisjes omdat ze tot hun huwelijk niet meer met vreemden mogen omgaan en de jongens om sigaretten te roken en de filmster uit te hangen.

Het moest anders, vond dr. Sugata Mitra al ijsberend in zijn kantoor van het Indiase Instituut voor Technologie, afdeling onderzoek naar cognitieve systemen. Dat is een hele mondvol voor iemand die louter psychologische testen verzon. Dr. Mitra wilde niet alleen weten hoe slim of dom de armste kinderen waren, maar ook hoe je ze van dom naar slim kon brengen. Liefst zonder harteloze onderwijzer en zonder leermiddelen uit het jaar nul. Kinderen die op eigen houtje knapper worden.

Hij keek naar de muur van zijn kantoor waarachter de sloppenwijk die Kalkaji heette begon. Er was alleen maar een muur tussen hem en de kinderen, hij kon ze horen joelen en vechten. Zo kwam hij op zijn plan. Hij liet een metselaar komen die een gat in de muur hakte, net groot genoeg voor een computerscherm. Naast het scherm liet hij de pijltjestoetsen en de enter-toets aanbrengen, en daar boven een videocamera. De rest liet dr. Mitra aan de kinderen van Kalkaji over.

De volgende dag bekeek hij de videoband. Hij zag alleen krioelende hoofden en vingers die lukraak de knoppen indrukten. De daarop volgende dag waren er al minder kinderen, die iets systematischer met de knoppen omgingen. En op dag 3 zag hij tot zijn stomme verbazing een jongen diep geconcentreerd aan het werk: hij kon knippen en plakken in Windows, hij had het tekenprogramma ontdekt en vierkantjes en rechthoeken gekleurd en hij was al een keer op internet geweest.

Een toevallig wonder, dacht dr. Mitra, en hij liep op de jongen af. Rajinder was zijn naam, hij kende geen woord Engels en hij had maar drie jaar op school gezeten. Een mager, donker knulletje van een jaar of tien, want wanneer hij geboren was wist hij ook al niet. Wat hij aan het doen was, vroeg dr. Mitra. Rajinder zette een gezaghebbende toon op: ,,Met deze naald moet je naar de kast, als je de kast opent, komen er een heleboel dingen uit, dingen om mee te tekenen en zo. En dit is het teken van God, als je daarop drukt gaat de hele wereld open.''

De naald was de cursor, de kast was de documentenmap en het symbool van God was het icoontje voor internet. Als je het goddelijke `Ohm'-teken van de hindoes omkeerde, had het wel iets van het internetsymbooltje.

Dr. Mitra wilde nu wel weten of hij hier echt te maken had met een toevallig wonder. Vurig legde hij zijn bevindingen voor aan zijn bestuur en hij begon aanvragen te schrijven naar fondsen, van de gemeente Delhi tot de Wereldbank. Hij documenteerde het leven van Rajinder in een filmpje en stuurde dat naar alle instellingen. En aan de ouders van Rajinder bood hij als dank 5.000 rupee, drie maanden loon voor een gemiddelde bewoner van een sloppenwijk. Maar Rajinders moeder weigerde het geld: geeft u hem liever een opleiding in, en ze zei iets wat vaagjes leek op ,,computers, want daar zit toekomst in.''

Inderdaad, er leek ineens een toekomst te bestaan voor de kinderen uit de sloppen. In de muur die hen omringde was een bres geslagen en zo heette ook het project van dr. Mitra: Hole in the wall. Dr. Mitra's afdeling groeide van drie naar veertig medewerkers, met een team voor het verzamelen van gegevens, een team voor psychologische analyse en onderhoudsmensen. Nee, geen trainers of leraren voor de kinderen, alles wat ze leren, leren ze op eigen houtje.

Die ene computer in Kalkaji, nabij het vroegere kantoor van dr. Mitra, was het startsein voor 330 computers op 66 locaties, verspreid over heel India. Er was een toevloed aan deskundigen uit de hele wereld, specialisten in stadsontwikkeling en leermateriaalverbetering, mensen die zich bezighielden met de gebruiksvriendelijkheid van technologie, filosofen, sociologen en vertegenwoordigers van hulporganisaties met zakken vol geld.

Maar dr. Mitra en zijn team wisten te voorkomen dat het project een hightech aanzien kreeg. De `kiosken', zoals de gebouwtjes heten, zijn nog steeds van gewone rode bakstenen, de ramen worden met een ijzeren plaat afgesloten en op nog geen meter van de kiosk begint het puin. Het is en blijft een Indiaas project.

De kinderen van Madangir zijn boos op de onderhoudsmedewerker, die met een grote bos sleutels komt aangelopen. Twee computers zijn `down', die term kennen ze dus. De man zoekt de sleutel voor de metalen deur en de kinderen volgen hem prompt naar binnen. Het is er heet en donker, overal liggen kabels en afgedankte computeronderdelen. Een kind van nauwelijks negen begint met een toetsenbord en een muis te werken. Hij klaagt dat zij dat aan de andere kant van de muur niet hebben. Behendig tekent hij met een tekenprogramma een mannetje. Grote snor, westers hemd met daaronder een lange rok – de jongen komt uit het zuiden van India, waar mannen zo gekleed gaan. Ook zo'n toevallig wonder als Rajinder uit Kalkaji, maar er zijn er te veel om ze nog toevallig te noemen.

De kinderen in de stad gaan anders om met de computers dan de kinderen in een dorp, vertelt de onderhoudsman. In het dorp behandelen ze de apparatuur als hun persoonlijke bezit. Elke dag wordt het glas van de ramen gepoetst en om de technologie te zegenen worden bloemen gelegd.

In de sloppenwijken van de stad wordt de kiosk gezien als een voorziening van de overheid, zoals een bushalte of een openbare vuilnisbak, waar je ook niet zachtzinnig mee om hoeft te gaan.

In de sloppenwijken is er bovendien een strenge scheiding tussen jongens en meisjes en wordt er vaker gevochten tussen ouderen en jongeren. De jongeren staan daarom vroeg op, spelen met `Super Mario' of iets educatiefs, gaan dan gauw naar `start' en klikken op `shut down'. De aan- en uitknop is aan de andere kant van de muur, zodat de ouderen niets hebben aan de computer, tot de onderhoudsman langskomt.

De jongste kinderen die de apparaten gebruiken zijn zes, de oudste twaalf. De ramen zijn op hun ooghoogte aangebracht. De kinderen zien eruit zoals in alle sloppenwijken. Zwarte voeten, droge ellebogen, schone, maar afgedragen kleren, verwondingen van slaag of valpartijen, maar het haar altijd keurig gekamd. Wie het huis uit gaat moet eerst de haren kammen, al is het huis een hut en knort de maag van het kind.

Omslachtige toetsen

Het meest wordt geklaagd over de knoppen waarmee je de cursor bedient, de pijltjestoetsen zijn omslachtig. En dan is er natuurlijk de stroom. Soms is er maar een paar uur elektriciteit en zijn de beeldschermen voor de rest grijs. Het moderne leven brengt moderne ongemakken met zich mee.

Volgens dr. Sugata Mitra en zijn medewerkers is het nog te vroeg om conclusies te trekken over wat de kinderen op den duur hebben aan de computers. Tussen kinderen die wel en kinderen die niet naar school gaan blijkt in ieder geval nauwelijks verschil. Ook de niet-schoolgaande kinderen kunnen bladeren door het verhaal van Assepoester, ze vertellen het even goed na, al spreken ze het woord `Cinderella' op een typische manier uit.

Maar of de kinderen die wel met de computers werken `slimmer' worden dan kinderen die ze niet gebruiken, daar valt nog weinig over te zeggen. Elke drie maanden worden ze groepsgewijs getest en er is een duidelijke ontwikkeling: ze krijgen meer oog voor detail en ze raken beter bekend met `vreemde figuren'. Van de kerstman kijken ze niet meer op. Maar of dat door de computers komt is onzeker. In een belendende wijk zonder kiosk is intussen een controlegroep gevormd.

Zeker is in ieder geval dat meisjes beter scoren op de driemaandelijkse testen. Ze zijn geconcentreerder en volhardend, ook al neemt de moeilijkheidsgraad flink toe. Een zo'n meisje, met twee vlechtjes, een gebloemde jurk en oude, kapotte slippers, staat naar het scherm te turen. Haar broertje van ongeveer drie leunt tegen haar aan, met zijn duim in zijn mond.

Ze moet allerlei spulletjes op de juiste plaats in een keuken zien te krijgen. De melkfles gaat in de ijskast, dat weet ze. Potten en pannen op het fornuis. De klok tegen de muur. De glazen en de kopjes in de kast. Fruit in de fruitmand (ze probeerde eerst de ijskast, wat in de hitte van Delhi inderdaad logischer is), een bord en boter en een mes moeten op tafel. Maar het sneetje brood raakt ze niet kwijt. Ze probeert het op het bord, maar dat gaat niet. In de ijskast lukt het net zomin als op het fornuis. Ze geeft niet op, ze blijft proberen, broertje begint te jengelen. Tot ze uiteindelijk het brood naar een rood doosje sleept, waar het sneetje in verdwijnt. Taak volbracht, geheel op eigen houtje. Al zal ze nooit weten wat een broodrooster is.