Het gaat om het sociale leven, domoor!

Politici moeten veel meer oog krijgen voor de problemen die samenhangen met het wegvallen van `gemeenschap'. Ze moeten deze problemen niet alleen willen oplossen, ze moeten voorkómen worden, menen Henk de Vos en Rudie Wielers.

De zoektocht van het tweede kabinet-Balkenende heeft geresulteerd in de leus `Meedoen, meer werk, minder regels'. Het is onbegrijpelijk dat niemand de jeugdige premier heeft toegesist: `Het is het sociale leven, domoor!' Het is tekenend voor het feit dat politici geen oog hebben voor de veelal negatieve gevolgen van de teloorgang van het fenomeen `gemeenschap', het geheel van persoonlijke, langdurige relaties waarin mensen weten dat ze op elkaar kunnen rekenen als dat nodig is. Die gemeenschap heeft het onderspit gedolven in de alomtegenwoordige zucht tot perfectionering van het kapitalisme en de inherent daaraan schier ongebreidelde welvaartsgroei.

De gevolgen van de teloorgang van `gemeenschap' zijn bekend én zichtbaar: stijging van criminaliteit; een groeiend aantal kwetsbare, want geïsoleerde gezinnen omdat de tijd die wordt besteed aan sociale contacten, ook die met gezinsleden afneemt; een toename van depressieve klachten als gevolg van een sociaal verlies of een voortdurende bevestiging van een lage sociale status. Gemeenschap is geen luxegoed, verlies ervan kan mensen ziek maken.

Politici hebben geen langetermijnvisie op deze problemen. Zij redeneren zoals zoveel mensen: heb je een depressie, dan er is de huisarts, heb je last van (kleine) criminaliteit, wend je tot de politie, ontbeer je een dak boven het hoofd, bel het Leger des Heils. Het gaat altijd om het oplossen van problemen – onder verantwoordelijkheid van de overheid ofwel door de markt haar werk te laten doen. Maar waar het om zou moeten gaan is het voorkomen ervan.

De zorg voor gemeenschap leeft niet, ondanks mooie woorden. De VVD vindt gemeenschap ouderwets en denkt dat mensen genoeg hebben aan de kapitalistische moraal. De PvdA denkt dat mensen genoeg hebben aan de abstracte gemeenschap zoals georganiseerd door de overheid. En het CDA wil de gezinnen beschermen, maar de problemen liggen niet in de gezinnen zelf, maar in hun sociale isolement.

De politiek moet eens ophouden met dit soort sjabloondenken en een effectief gemeenschapsbeleid op poten zetten, in plaats van de gevolgen van gemeenschapsachteruitgang op te vangen. Voor een gemeenschap zijn langdurige relaties nodig tussen mensen die elkaar iets te bieden hebben. Daaruit volgen twee richtlijnen: 1. maak het mensen gemakkelijker om relaties aan te gaan en in stand te houden en 2. laat mensen op plaatselijk niveau veel meer onderling beslissen over hun leefomgeving.

De eerste richtlijn betekent dat de verhuismobiliteit en de woon-werkafstand moeten worden teruggedrongen. In het (recente) verleden is de arbeidsmarkt gedereguleerd en geflexibiliseerd. Dat maakte het voor werknemers noodzakelijk zich aan te passen: verhuizen of dagelijks heen en weer reizen naar het werk. De toename van de woon-werkafstand is een typisch verschijnsel van de laatste halve eeuw. Maar niet alleen de werkplek en de school zijn steeds verder weg komen te liggen, ook winkels en vrijetijdsvoorzieningen – dagelijks zwermen miljoenen mensen uit.

Het vervelende van uitzwerming is dat het ten koste gaat van de sociale contacten. Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten. Dit komt niet alleen doordat ze minder tijd hebben, maar ook doordat de contacten die ze nog hebben, gefragmenteerd zijn en daardoor minder als echte contacten worden ervaren. Gemeenschap en fragmentatie verdragen elkaar slecht.

Het wordt hoog tijd dat de economie zich gaat aanpassen aan waar de mensen zijn, dan dat de mensen zich aanpassen aan plek waar het bedrijf waar zij werken gevestigd is. Om dat te realiseren is een scala van maatregelen nodig op het terrein van de ruimtelijke ordening, maar ook kan gedacht worden aan een eenvoudig initiatief als de oprichting van een banenruilbeurs.

Veel verhuisbewegingen en het uitdijende woon-werkverkeer worden ingegeven door carrière-overwegingen. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat het eenzijdig gericht zijn op een carrière, mensen minder gelukkig én minder gezond maakt dan het gericht zijn op de gemeenschap en de eigen ontplooiing. Veel mensen beseffen dit niet; zij behoeven dus wijze raad. In plaats daarvan worden ze bedolven onder tegengestelde boodschappen, namelijk dat het goed is om rijk en beroemd te zijn en om carrière te maken.

Deze boodschappen worden gedragen door degenen die er belang bij hebben dat wij ergens geld aan uitgeven. En dat dus eerst verdienen. Maar het totaal aan deze boodschappen is niet alleen verspillend (ze werken deels tegen elkaar in), het wijst ons tegelijk in de richting van een leefstijl waar we ongelukkiger en ongezonder van worden.

Voldoende reden derhalve voor een veel verdere terugdringing van reclame dan nu gebeurt. Dit kan door heffingen die worden besteed aan tegengestelde boodschappen. Dit zou het totaal aan reclame doen verminderen. Maar bovendien zou er tegenover elke oproep om `even helemaal weg' te gaan, een oproep moeten staan in de trant van: `blijf eens lekker thuis en maak een praatje met de buren'.

De tweede richtlijn houdt in dat de bestuurlijke schaalvergroting wordt omgebogen. Dat publieke voorzieningen efficiënter op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd, wil níet automatisch zeggen dat de besluitvorming ook op hoger niveau moet geschieden. De schaal van het laagste bestuursniveau, dat van de gemeente, is de afgelopen halve eeuw door gemeentelijke herindelingen sterk vergroot. Dat heeft nadelige gevolgen gehad voor de betrokkenheid van de burger bij de besluitvorming, maar daarmee ook voor de mate waarin burgers onderling over die besluitvorming overleggen.

Er zou serieus moeten worden bekeken in hoeverre het mogelijk is een nieuwe bestuurslaag in het leven te roepen op het niveau van buurten en dorpen. (Zo nieuw zou dat overigens niet zijn, want een paar eeuwen geleden bestond er nog een overheid op buurtniveau.) Laat buurt- en dorpsraden zelf beslissen over de publieke ruimte. Ze kunnen dan uiteraard diensten inkopen bij aanbieders die op grotere schaal werken.

Dit beleid heeft economische kosten. Maar het heeft ook hoge economische opbrengsten, in termen van dalende kosten van de gezondheidszorg, van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, van jeugdzorg en daklozenopvang, van ouderenzorg en van criminaliteitsbestrijding. En verwacht mag worden dat we er wat gelukkiger van worden.

Henk de Vos en Rudi Wielers zijn als socioloog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.