Herstel van overheidsgezag is geboden

De verstoringen van dodenherdenking op tal van plaatsen in Amsterdam hebben tot grote maatschappelijke verontwaardiging geleid, en terecht. Toch is het onverstandig eenzijdig in te zoemen op de Marokkaanse jeugd. Enkele maanden geleden werd een trein met FC Utrecht-supporters teruggestuurd, toen ze 'Hamas, Hamas, alle joden aan het gas!' scandeerden. En neem de terreur van hangjongeren op het treintraject Hoorn-Enkhuizen. Als we deze voorvallen in verband brengen met een lange rij soortgelijke gebeurtenissen van de afgelopen jaren (buitensporig geweld van voetbalsupporters, krakersrellen, `traditionele' oudejaarsrellen in Den Haag), dringt zich maar één conclusie op: in Nederland heeft de overheid te weinig gezag.

Dit is niet alleen te wijten aan de bevolking of delen daarvan, maar ook aan de overheid zelf. Als bij een leraar met grote regelmaat wanorde en incidenten in zijn klas voorkomen, dan valt dit niet alléén de leerlingen te verwijten maar óók de leraar. Het heet dan dat hij geen orde kan houden. De Nederlandse overheid kan blijkbaar niet goed `orde houden' Vele malen hebben we gehoord dat de politie bij ernstige ongeregeldheden besloot niet in te grijpen om `verdere escalatie te voorkomen.' En het oplossingspercentage van misdrijven is schrikbarend laag (15 procent). Bovendien heeft men weinig greep op de zogenoemde veelplegers of draaideurcriminelen.

Een overheid die te weinig gezag heeft, moet zich niet blindstaren op het oplossen van incidentele ordeverstoringen, maar moet haar omgang met (rechts)ordeverstoringen in het algemeen (rellen, overtredingen, misdrijven, misdaden) tegen het licht houden. Een van de belangrijkste pijlers van ons `humanitaire recht' is resocialisatie, het heropvoeden van de overtreder, zodat hij kan terugkeren in de maatschappij – een idee dat teruggaat op de Verlichting. `Sluit gevangenissen, bouwt scholen' is één van de beroemdste spreuken uit die periode. Met andere woorden: als je een mens goed opvoedt, wordt hij ook een goed mens. Wie geen goed mens is (een crimineel bijvoorbeeld), is dus niet goed opgevoed en verdient een heropvoeding. Het onderliggende mensbeeld gaat er vanuit dat de mens in essentie een redelijk wezen is dat door gebruik van zijn rede (verstand) tot het goede kan komen.

De verlichtingsidealen zijn sympathiek maar helaas ook achterhaald. Nietzsche en Freud wezen er al op dat de redelijkheid van de mens als een dunne schil over een binnenkant van irrationele driften ligt. Een aantal gruwelijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw, waaronder de Tweede Wereldoorlog, is daar een bevestiging van. Het wereldwijde terrorisme, in het bijzonder de gebeurtenissen van 11 september 2001, maakt het haast onmogelijk te geloven dat de mens in wezen een redelijk wezen is. Wanneer we dit niet meer geloven, moeten we ook het geloof laten varen dat alle problemen in principe redelijk oplosbaar zijn. We stuiten op de `grenzen van de redelijkheid'.

Ook het verlichtingsidee van de goede opvoeding is gedateerd. Mensen zijn slechts in beperkte mate op te voeden. De wetenschap leert dat door genetische aanleg, traumatische gebeurtenissen of hersenbeschadigingen sommige mensen zulk gestoord of dwangmatig gedrag hebben, dat dit met geen (her)opvoeding te corrigeren is. Na zeventig jaar tbs-klinieken is het nog steeds onduidelijk welke behandeling werkt en welke niet. Bovendien worden regelmatig mensen als onbehandelbaar `opgegeven'.

Gezag wordt echter niet alleen in negatieve zin gehandhaafd door het tegengaan van rechtsordeverstoringen, maar ook in positieve zin door het verdedigen van en staan voor bepaalde waarden. Aan het laatste schort eveneens veel. De waarden waar de Nederlandse samenleving voor wil staan, zijn grotendeels geformuleerd in de Grondwet. Het probleem is echter dat een aantal waarden daarvan in de praktijk met elkaar botsen. Zo botst de gelijkwaardigheid van man en vrouw soms met de vrijheid van godsdienst (islam, SGP), en het non-discriminatiebeginsel lijkt nogal eens in strijd met de vrijheid van meningsuiting of godsdienst. Door zulke conflicten is het vaak niet duidelijk welke waarden het belangrijkst zijn en waar de samenleving voor staat. De SGP mag met zijn achterstelling van vrouwen kennelijk gewoon zetels in de Tweede Kamer bezetten en een imam mag een deel van de bevolking (homoseksuelen) straffeloos discrimineren en Marokkaanse jongeren in Amsterdam kunnen al jaren joodse medeburgers het leven zuur maken.

In zo'n gezagsvacuüm is het een natuurlijk proces dat individuen of groepen hun grenzen gaan verkennen. Als een gewaagde stap niet wordt bestraft, volgt een nieuwe, enzovoorts. De incidenten op 4 mei tijdens de dodenherdenking in Amsterdam zijn het voorlopige eindpunt van een lange reeks waarbij niet afdoende grenzen zijn gesteld. Hetzelfde is van toepassing op de Oosterparkrellen in Groningen enige jaren geleden of het gedrag van de Utrecht-supporters met hun antisemitische leuzen.

Het gezag kan zich alleen herstellen als men vanuit realistischer ideeën de werkelijkheid benadert: de mens is niet van nature goed of redelijk. Sommige mensen zijn goed, anderen slecht, sommigen redelijk, anderen gek, sommigen sociaal, anderen tiranniek. De meeste mensen zijn binnen bepaalde grenzen met opvoeding te beïnvloeden, sommigen helemaal niet. Aangezien de huidige straffen nauwelijks effect sorteren moet er discussie komen over andere vormen van straf. Ook de tbs, die uitgaat van het idee van heropvoeding, is broodnodig aan revisie toe.

Daarnaast moet de samenleving het eens worden over de rangorde van haar waarden om bij waardenconflicten te kunnen bepalen welke waarde moet prevaleren. Bijvoorbeeld: de gelijkwaardigheid van man en vrouw gaat boven de vrijheid van godsdienst, het niet discrimineren van homoseksuelen boven de vrijheid van meningsuiting. Alleen zo wordt duidelijk waar onze samenleving ten diepste voor staat. Mensen die deze rangorde niet accepteren of partijen die aan kernwaarden tornen, moeten worden aangepakt.

Ten slotte moeten de `grenzen van de redelijkheid' vastgesteld worden. Als mensen oproepen tot het doden van joden of het discrimineren van homoseksuelen moet worden ingegrepen. Nadat paal en perk is gesteld aan dergelijke gedragingen kan er altijd voor dialoog, scholing en heropvoeding worden gekozen, maar het laatste mag niet het eerste vervangen.

Drs. Alexander von Schmid is ethicus en filosoof