Gouverneur Platteel

In De Kloof tussen Den Haag en Hollandia (Z, 3 mei 2003) maakt Mark Duursma op grond van recente informatie uit het archief van de minister-president melding van het dreigen met ontslag door gouverneur Platteel van Nieuw Guinea in maart 1962. Duursma spreekt er zijn verbazing over uit dat Platteel in de literatuur over Nieuw Guinea zo'n bescheiden rol speelt.

Zo verbazingwekkend is dat niet. Tijdens het bezoek van de Amerikaanse minister van Justitie en broer van de president, Robert Kennedy, aan Den Haag, eind februari 1962, werd het Nederlandse kabinet geconfronteerd met de harde realiteit dat het voor de verdediging van Nederlands Nieuw Guinea bij een Indonesische aanval niet hoefde te rekenen op Amerikaanse steun. Wel werd door de Verenigde Staten logistieke steun toegezegd bij een noodzakelijke evacuatie van de daar aanwezige Nederlanders. Vanaf dat moment was de Nederlandse regering nog maar met één ding bezig: redden wat er te redden was voor de belangen van de Papoea's, zoals blijkt uit mijn boek Misleiding of zelfbedrog. Het Nederlandse beleid t.a.v. Nieuw Guinea (Anthos, 1984). Daarin heb ik uitgebreid geciteerd uit de dagboeken van de toenmalige premier, De Quay. Het kabinet in Den Haag zag de gouverneur van Nieuw Guinea als niet meer (en niet minder) dan een hoge ambtenaar die moest doen wat hem werd opgedragen. Uit het dagboek van premier De Quay blijkt dan ook dat bij de besluitvorming in Den Haag over Nieuw Guinea de mening van gouverneur Platteel geen enkele rol speelde. Premier De Quay had zijn handen al vol aan het overeind houden van zijn kabinet, want hij werd in de periode tussen het bezoek van Robert Kennedy en 15 augustus 1962, de datum waarop in Middleburg, Virginia, tussen Nederland en Indonesië overeenstemming werd bereikt over een oplossing van het geschil, voortdurend geconfronteerd met ministers en staatssecretarissen die met hun portefeuille zwaaiden.

Resteert nog de openbaarmaking van relevante stukken uit het Koninklijk Huisarchief en het Kabinet der Koningin over de periode t/m 1962. Zowel koningin Juliana als prins Bernhard voelden zich nauw betrokken bij de kwestie Nieuw Guinea. Koningin en prins spraken vaak met de premier over de problematiek. Ook werd de Nederlandse ambassadeur in Washington, dr. J.H. van Roijen, regelmatig op Soestdijk ontvangen. Harry van Wijnen maakte al melding van de rol die prins Bernhard in 1962 speelde via zijn contacten op het hoogste niveau in de Verenigde Staten. Dit wordt bevestigd door aantekeningen in het Dagboek van premier De Quay. Begin juni 1962 sprak prins Bernhard (in het Nieuw Guinea-conflict een verklaard tegenstander van het harde, onverzoenlijke beleid dat minister van Buitenlandse Zaken Luns voorstond) in Washington nog met de Amerikaanse president, John Kennedy, met diens broer Robert en met de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk. Er zijn sterke aanwijzingen dat de prins op enig moment in Amerika ook een ontmoeting heeft gehad met de Indonesische president Soekarno. Op 10 januari 1962, d.w.z. vóór het bezoek van Robert Kennedy aan Den Haag, sprak ook koningin Juliana tegenover premier De Quay de bereidheid tot een onderhoud met Soekarno uit in een uiterste poging het zelfbeschikkingsrecht voor de Papoea's, waarover zij ook al had gesproken in haar kerstrede van 1961, veilig te stellen. Uit een brief die president Kennedy, kort na het moment waarop tussen Nederland en Indonesië een akkoord was bereikt, aan koningin Juliana stuurde blijkt dat de invloed van prins Bernhard meer dan marginaal is geweest. Kennedy vraagt de koningin ook zijn hartelijke groeten over te brengen aan prins Bernhard

,,whose thoughtful comments on this difficult issue were helpful to me at an important moment''.

Pas als ook de gespreksverslagen van de diverse besprekingen van leden van het Koninklijk Huis over de kwestie Nieuw Guinea beschikbaar zijn, zijn historici in staat het volledige verhaal van de verzelfstandiging van Nederlands Indië te schrijven.