Gokken in een onzekere markt

Is voetbal een markt als alle andere? Nee, zegt sporteconoom Pieter Verhoogt. Concurrentieregels zijn niet zomaar toepasbaar. Een interview.

In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken inventariseerde KPMG Bureau voor Economische Argumentatie de financiële relatie tussen enerzijds gemeenten en anderzijds profclubs en hun stadions. Het was het antwoord van het ministerie op een brief van de Europese Commissie, die stelde dat overheidssteun slechts onder strikte voorwaarden kan worden verstrekt. Zij ziet profvoetbalclubs als ondernemingen die zichzelf moeten bedruipen. Ten aanzien van overheidsbetrokkenheid bij stadions is de Europese regelgeving coulanter, omdat een stadion als multifunctioneel centrum kan dienen, als infrastructuur die ten goede komt aan de maatschappij.

Pieter Verhoogt, sporteconoom bij KPMG, leidde het onderzoek De gemeente als twaalfde man, waaruit bleek dat in de periode 1992-2002 alleen 100 miljoen door gemeenten aan clubs werd geschonken. Ook nu verlenen diverse gemeenten steun aan hun noodlijdende clubs, maar niet meer zo ruimhartig als voorheen. Gemeenten worden terughoudender, omdat zij geen vertrouwen meer hebben in het voortbestaan van hun club en bevreesd zijn voor Brussel.

In andere landen kampen zelfs topclubs met enorme schulden. Daar is nauwelijks discussie en blijven de meeste clubs gewoon meedoen aan de competitie.

Verhoogt: ,,Geen bank in Spanje of Italië durft een faillissement van een voetbalclub aan te vragen. Ze kijken wel uit, dan kan de bank het bij het volk wel vergeten. Politici houden hun mond. Emoties spelen daar een doorslaggevende rol. De Europese Commissie stelt zich mede daarom terughoudend op. Het ligt te gevoelig om het voetbalbedrijf ter verantwoording te roepen.''

In Nederland gaan geldschieters wel zo ver, en komen de clubs terecht bij de overheid. Is dat terecht?

,,Het is wel begrijpelijk. De grote clubs in Nederland hebben niets te klagen. Ze krijgen de meeste aandacht, in de media en van sponsors. Maar de kleintjes redden het niet meer en gaan ten einde raad naar de overheid. De oorzaken zijn bekend: te rooskleurige inschattingen, te grote investeringen, te hoge salarissen, grote clubs die zich het lot van kleintjes niet aantrekken. De Nederlandse competitie behoort tot de minst spannende van Europa. Ajax, Feyenoord en PSV regeren al jaren. De vraag is hoe verantwoordelijk zij zich voelen voor het lot van de kleine clubs. Er is veel voor te zeggen dat de bedrijfstak door onderlinge subsidiëring de kleinere clubs overeind houdt. Maar Ajax, Feyenoord en PSV kijken naar boven. Zij willen graag bij Europa horen, zij willen graag spelen in een Europese competitie.''

Als de overheid kleine clubs niet steunt, is hier straks geen competitie meer?

,,Het aantal clubs zal teruglopen en de krachtsverschillen nemen toe. Dat staat haaks op een spannende en gezonde competitie. Wanneer de grote drie aanhaken bij een Belgisch-Nederlandse of Europese competitie, kunnen de overgebleven clubs wellicht een spannende nationale competitie spelen.''

Maar weinigen zullen zich tot de laagste competities aangetrokken voelen. De internationale competities krijgen alle aandacht, geld, televisietijd en goede spelers. Zoals nu in Nederland. Betaald voetbal is en blijft oneerlijke competitie.

,,De sportmarkt is een winner takes all-markt. Maar alle clubs zijn gebaat bij een zo spannend mogelijke competitie. Dat kan door het beschikbare geld over een aantal clubs te verdelen. Dan houd je de competitie in balans. Maar Ajax, Feyenoord en PSV lijken dit niet te willen. In Duitsland is daar een beetje sprake van. Kleine Bundesliga-clubs delen mee in de winst die grote als Bayern en Dortmund in Europese toernooien verdienen. Maar nu is Bayern onlangs uit de Liga gestapt, omdat het niet meer wil delen met de mindere clubs. Ook Bayern kijkt alleen nog omhoog.''

In de diverse Amerikaanse sportcompetities is het altijd spannend, met bijna altijd een andere kampioen. Is daar een betere verdeling?

,,Ja, daar wordt de competitie bewust spannend gehouden. De NBA bijvoorbeeld, de basketballiga, beheert alle rechten en coördineert vrijwel alle commerciële deals. Alles wordt gelijk verdeeld. De salarissen worden beheerd en aan maxima gebonden. De laagst geklasseerde clubs hebben de eerste rechten op de transfermarkt. Kleine clubs worden in leven gehouden door grote clubs. Zo houdt men de krachtsverschillen beperkt. Dit is mogelijk doordat sport deels is vrijgesteld van de anti-kartelwetgeving. Juist in Amerika heeft men ingezien dat de sportmarkt een afwijkende markt is. Een markt waar concurrerende aanbieders (clubs) per definitie moeten samenwerken om een product te kunnen aanbieden. In Europa wordt de sport nog wel onderworpen aan de steun- en kartelwet. Daar moet verandering in komen.''

Toch blijft ook in Amerika niet elke club bestaan en verhuist er wel eens een naar een andere stad.

,,Een club is daar een bedrijf, een franchise. Loont het voor bijvoorbeeld de Chicago Bulls niet langer in Chicago te blijven, dan zoekt de eigenaar een andere locatie, waar ze wel kunnen bestaan. Waarom zou RKC als `bedrijf' uit het kleine Waalwijk in de toekomst niet kunnen verhuizen naar een stad waar een groter stadion is, met meer bedrijfsleven en meer potentiële achterban? Als Vitesse verdwijnt uit Arnhem, waarom zou RKC dan niet in het Gelredome kunnen spelen? Een stadion moet wel een topclub als bespeler hebben, nietwaar? Als sporteconoom wacht ik met spanning de ontwikkelingen in Arnhem tussen Vitesse en het Gelredome af. Zo'n modern stadion is niet rendabel te exploiteren zonder een vaste bespeler. Neem voorzitter Scheringa van AZ. Hij zet de gemeente Alkmaar onder druk. Als er geen nieuw stadion komt of overheidssteun, stopt hij of zoekt hij een andere stad voor zijn club met wel een geschikt stadion en wel een in voetbal geïnteresseerd gemeentebestuur.''

Voetbal mag dan door Brussel als een bedrijf worden gezien, voetbal blijft afhankelijk van onzekere factoren. Mét sterspeler Michael Jordan wonnen de Chicago Bulls zes wereldtitels, zónder hem lijdt de club een anoniem bestaan.

,,Er is geen branche zo onzeker als voetbal. Dat het beroepsvoetbal nu in een crisis verkeert, is niet alleen het gevolg van slecht bestuur, verkeerde investering of wanbeheer. Dat is te gemakkelijk. De financiën worden grotendeels bepaald op het veld. Een bal links of rechts van de paal kan wel of geen plaatsing voor de Champions League betekenen en daarmee miljoenen aan inkomsten schelen. Voetbal is te veel afhankelijk van onbestemde factoren. Dat zal altijd zo zijn. Clubs die in degradatienood verkeren, nemen risico's. Ze investeren in spelers, gaan lenen, ze doen een gok. Dat moeten ze wel. Soms pakt die gok goed uit, soms niet. Sportieve ambitie en de boekhouding van een club hebben een haat-liefdeverhouding. In veel gemeenteraden worden dezer dagen lastige besluiten genomen. Zij moeten het belang van betaald voetbal afwegen tegen de aanleg van een rotonde of extra blauw op straat.

,,Dat zijn lastige afwegingen. Wat mij opvalt is dat politici die menen dat er overheidssteun moet zijn, vooral sociaal-maatschappelijke argumenten aanvoeren. Niet ten onrechte, maar een grondig onderzoek naar de economische waarde van voetbal voor een gemeente heb ik nog niet gelezen.''

Zijn er oplossingen om het beroepsvoetbal in de breedte te laten overleven?

,,Voetbal is een andere markt dan welk bedrijf dan ook door de emoties in en buiten het veld. Maar ook door de afwijkende markteigenschappen. Voor voetbal zou een uitzondering moeten komen. Dat is waar Brussel mee zit. Voetbal is enerzijds business en anderzijds is het vergelijkbaar met sectoren als cultuur of de zorg. Op die basis zou het moeten worden benaderd.''