Flitscontact

Wanneer ik voor het laatst een echte goeie lange brief geschreven heb, weet ik niet meer. Zo'n brief waarin je je hele hart uitstort en waarin je al schrijvend bij de kern van je gevoelens of overwegingen probeert te komen. Zo'n brief die je niet van harte wegstuurt omdat je hem eigenlijk liever voor jezelf houdt en hem misschien ook wel meer voor jezelf dan voor de beoogde ontvanger geschreven hebt. Ik stuur nu wel honderden e-mails per maand weg, haastige woorden, soms zonder aanhef, alleen zo iets als `in orde, groet M.' Geen plichtplegingen, soms een korte grap, geen zorgvuldig gekozen woorden, maar alleen flitscontact, om het zo maar eens te noemen.

Nu gaat het bij e-mail meestal om zakelijke afspraken, maar ik merk dat de mail invloed heeft op de briefcultuur. Ook brieven naar vrienden of familie worden tegenwoordig als vanzelf korter en zakelijker. Ik ontvang af en toe nog wel een lange brief, maar daar voel ik me dan altijd een beetje ongemakkelijk bij, omdat ik weet dat ik de beantwoording ervan zal gaan uitstellen. Vaak schuif ik de brief letterlijk in zo'n onmogelijke uithoek van mijn bureau dat ik hem pas maanden later terugvind en dan moet overwegen wat onfatsoenlijker is: in het geheel niet terugschrijven of alsnog met een zouteloos excuus. Het ongemakkelijke van dit soort brieven wordt versterkt doordat degenen die nu nog brieven schrijven zulke verdraaid mooie brieven schrijven. De volhardende brievenschrijvers weten dat ook zelf wel, en daarom stellen ze de ontvanger op de proef. Waarschijnlijk weten ze dat de ontvanger enkele keren begint aan een antwoord, dat steeds weggegooid wordt omdat het toch niet de esthetica van de ontvangen brief benadert, en waarschijnlijk verkneukelen ze zich bij die gedachte.

Slechts een enkele keer krijg ik nog wel eens een brief die niet om het mooie geschreven is, maar echt om het onderhouden van het contact. Meestal zijn dat brieven van oude mensen, die de haast van de e-mailgeneratie niet kennen en eens rustig voor zo'n brief gaan zitten. Ik stel me voor dat ze er een hele ochtend of middag voor uittrekken, en hem eerst in het klad schrijven. Daarna schrijven ze hem over, op papier met lijntjes in een regelmatig schoonschrift. Zulke brieven kreeg ik van mijn oude tante die onderwijzeres geweest was en die zich er af en toe van op de hoogte wilde stellen of ik nog wel goed katholiek gebleven was. Zelfs toen haar handen krom stonden van de reumatiek schreef ze nog in fraaie krulletters. Met de liniaal en een potlood had ze extra hulplijntjes getrokken.

De familiebrief zal wel langzamerhand uitsterven. Nu al ontvang ik van buitenlandse vrienden geen persoonlijke brieven meer, maar tegen kerstmis per e-mail een jaarkroniek: het zevende kleinkind geboren, overvloedige bessenoogst, kleine brand in de garage, jongste zoon heeft degree dit of dat. Mijn eigen dochter heeft voor zover ik weet sinds ze op de middelbare school zit geen brief meer geschreven. Toch is ze voortdurend in contact met vrienden: via de mobiele, via sms en e-mail. Als ze me om een postzegel vraagt, is het voor een intekening op een concert. Ik geloof niet dat ze weet waar je postzegels koopt.

Het is geen ontwikkeling om blij mee te zijn. Ik zou zeker minder van literatuur houden als ik de brieven van de schrijvers niet kende. Wat er zo direct en meeslepend in is, komt door het persoonlijke element. Meer dan in de verzonnen wereld van de literatuur krijg je in brieven een blik op de verborgen kanten van het bestaan. Het is alsof de vormgeving van de intimiteit nog hogere eisen stelt dan die van verzonnen werken. Met name in vroeger tijden, toen het contact tussen door afstand gescheiden vrienden of geliefden alleen onderhouden kon worden door het schrijven van brieven, besteedde men veel aandacht aan de vorm ervan. Men kon vriendschappen en liefdes verliezen door verkeerde brieven, of door verwaarlozing van de correspondentie. En andersom konden vriendschaps- en liefdesbanden strakker aangesnoerd worden door bijzondere brieven. Met de Nederlandse literatuur uit het verleden is er wat dat betreft iets merkwaardigs aan de hand. De literaire werken uit die tijd zijn prachtig, maar nog mooier zijn de door dezelfde auteurs geschreven brieven. Ze zijn vaak van een adembenemende directheid, gevoeligheid en ongekunstelde virtuositeit in taalgebruik. Er zijn tientallen schrijvers van wie de brieven mooier zijn dan hun literair werk. Natuurlijk zijn er ook een paar die geen begenadigde brievenschrijvers waren. De brieven van de puntige Jan Kinker zijn ooit in een lijvige editie uitgegeven, maar ik kan er niet koud of warm van worden. J.C. Bloem, de dichter met de minst dichterlijke kop van alle Nederlandse dichters, schreef de brieven die horen bij die betonnen kop.

Maar in het algemeen lijkt het alsof het waarlijke taalvermogen in brieven vrijer uitgeleefd werd. Zo zijn de brieven de vrijplaatsen geworden voor experimenten en uitbarstingen die in gedrukte werken beteugeld zouden zijn. Daarom houd ik zo van brieven en geef ik menige roman cadeau voor een brievenuitgave. Een literatuurgeschiedenis zonder brieven is voor mij dan ook ondenkbaar. De leraren op de middelbare scholen zouden zich heel wat puberafkeer van de verplichte literatuurlijsten besparen, als ze brievenbundels zouden propageren voor op de lijst. Literatuur is immers alles wat goed geschreven is, elke tekst waarin de taal de collectieve eenvormigheid ontstijgt om individueel te worden, en in die zin zijn goedgeschreven brieven literatuur. In de flitscontacten van de hedendaagse communicatie kan men dat soort literatuur niet vinden, maar nog steeds zijn er enkele auteurs die het brievenschrijven cultiveren. A.F.Th. van der Heijden, Gerard Reve, Jeroen Brouwers, om er enkele te noemen.

In de negentiende eeuw, in de tijd van de dubbele moraal en de maskerades, zijn de allergrootste brievenschrijvers te vinden. In die tijd zijn de brieven de schuilhutten voor de werkelijke literatuur. De mooiste vriendschapsbrieven uit de Nederlandse literatuur werden geschreven door Gerrit van de Linde, alias De Schoolmeester, aan zijn vriend Jacob van Lennep. Gerrit van de Linde was, omdat hij zich als student schandelijk misdragen had, verbannen uit Nederland. Hij verloor al zijn vrienden, behalve de romanschrijver Jacob van Lennep, die een zwak voor de jonge losbol had. Vanuit Engeland probeerde Gerrit van de Linde in zijn brieven de genegenheid van Van Lennep te behouden. Dat leverde een vijfentwintig jaren lang durend gevecht om vriendschap op. In een meesterlijke stijl springt hij van het ene onderwerp op het andere, vermengt grappige anekdotes uit zijn omgeving met geestige gelegenheidsverzen, bekentenissen over zijn depressies wisselen die over zijn seksuele avontuurtjes af. De verknochtheid van Van de Linde aan Jacob van Lennep maakte hem kwetsbaar en lichtgeraakt, waardoor hij wel eens zo heftig uitbarstte dat Van Lennep afhaakte. De wroeging en spijt daarover beheersten dan de volgende brieven.

De allermooiste liefdesbrieven zijn die van Willem Bilderdijk aan zijn tweede geliefde, Catharina Schweickhardt. Toen hij ondergedoken zat in Londen werd Bilderdijk waanzinnig verliefd op een leerlinge van hem. De jonge schone onderging een bombardement van hartstochtelijke liefdesbetuigingen. De moeder verbood het meisje om nog langer met de perfide oudere verleider om te gaan. Bilderdijk voelde zich daardoor vernederd en wanhopig en zijn brieven stromen over van een excessieve melancholie. De kwellingen en de heimelijk genoten vreugden van deze verboden liefde worden door Bilderdijk tot in huiveringwekkende details weergegeven. En zo is er nog zoveel meer moois. De grootste verongelijkte brievenschrijver is Multatuli, en de meeslependste Vincent van Gogh. De leukste vrouwelijke brievenschrijver in Nederland is Betje Wolff. Armoedige hedendaagse tijd ellendige kortheid. `Niet in orde. Groet. M.'