EU-defensie kan het beste met hulp van NAVO

Het Strategisch Akkoord tussen de NAVO en de EU damt het gevaar in van rivaliteit tussen twee internationale organisaties en neemt de noodzaak weg een omvangrijke militaire staf in de EU op te zetten, menen Kees Homan en Fred van Staden.

Mede als gevolg van de politieke verwikkelingen rond de oorlog in Irak is het streven naar nauwere militaire samenwerking in Europa in het slop geraakt. Zeker, tijdens de bijeenkomst van EU-ministers van defensie in Brussel afgelopen maandag heeft de Griekse voorzitter geprobeerd naar buiten mooi weer te spelen. Hij verklaarde dat de beoogde snelle-reactiemacht van de EU inmiddels gereed is om alle soorten van vredestaken uit te voeren. Maar achter de schermen heeft vooral de Britse minister van Defensie, Geoff Hoon, bij die gelegenheid sterke twijfel uitgesproken of de EU-landen in staat zullen zijn binnen een half jaar de zogeheten Headline Goal van Helsinki te halen.

Bij de Europese top in de Finse hoofdstad van eind 1999 werden de Europese leiders het eens over een ambitieus project: binnen vier jaar moest de EU een militaire strijdmacht ter grootte van 60.000 mannen en vrouwen ter beschikking hebben. Die strijdmacht diende binnen 60 dagen naar een operatiegebied gestuurd te kunnen worden om vervolgens gedurende minimaal een jaar te kunnen optreden. Hoon wees erop dat zijn land al 70 dagen nodig had om 45.000 man troepen naar de omgeving van Irak te verplaatsen. Een belangrijke oorzaak van het

achterblijven van de realiteit van de militaire samenwerking bij de politieke ambities zijn ernstige tekortkomingen op het gebied van het strategische transport en bepaalde categorieën van bewapening.

Niet minder belangrijk is echter de onenigheid over de politieke vraag hoe autonoom een Europese strijdmacht moet zijn. Moet deze geheel zelfstandig kunnen opereren of juist zoveel mogelijk worden ingebed in de NAVO? Onlangs hebben België, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg (verenigd in hun verzet tegen de Amerikaanse politiek inzake Irak) plannen bekend gemaakt voor een Europese Defensie Unie. De plannen voorzagen onder meer in de oprichting van een apart Europees hoofdkwartier, dat zich zou gaan bezighouden met zowel de voorbereiding als de uitvoering van militaire operaties.

Dit idee is bij Nederland en andere Europese landen (waaronder Groot-Brittannië, Spanje, Italië en Denemarken) slecht gevallen. Duidelijk is geworden dat de meerderheid van de huidige en toekomstige EU-lidstaten geen behoefte heeft aan de creatie van nieuwe militaire organen naast de bestaande militaire organisatie van de NAVO. Er is dan ook alle aanleiding na te gaan of het doel van nauwere militaire samenwerking tussen de Europese landen niet via het spoor van de NAVO kan worden bereikt. Een goed uitgangspunt biedt het zogeheten Strategisch Akkoord dat in december tussen de NAVO en de EU werd gesloten. Dit akkoord werd mogelijk doordat een oplossing was gevonden voor de `Turkse kwestie'. Turkije, lidstaat van de NAVO maar niet van de EU, voelde zich achtergesteld bij de EU-landen, in het bijzonder bij zijn rivaal Griekenland, omdat het buiten de Europese besluitvorming zou staan, ook in aangelegenheden die zijn veiligheidsbelangen rechtstreeks troffen. Daar is nu iets op gevonden, wat vergemakkelijkt werd door de toezegging van de EU dat volgend jaar een beslissing kan worden genomen over het tijdstip van onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de Unie.

Het akkoord tussen de NAVO en de EU geeft de Unie de mogelijkheid, afhankelijk van de beschikbaarheid, gebruik te maken van NAVO-middelen, in het bijzonder voor bevelvoering, communicatie, inlichtingen en strategisch transport. Indien de EU, in het geval van operaties waaraan de Amerikanen niet wensen of behoeven mee te doen, op deze middelen een beroep doet, geschiedt de voorbereiding daarvan in hoofdzaak door de plannenmakers van het Bondgenootschap, overigens in samenwerking met de (kleine) staf van de EU. Daarnaast is de plaatsvervangend opperbevelhebber van de NAVO, een Europeaan, verantwoordelijk voor het samenstellen van een strijdmacht die bestaat uit Europese militaire eenheden die (mede) aan de NAVO ter beschikking zijn gesteld.

Het akkoord damt het gevaar in van rivaliteit tussen twee belangrijke internationale organisaties, en neemt de noodzaak weg een grote militaire staf in de EU op te zetten. Bij de vredesoperatie in Macedonië, die de EU onlangs van de NAVO heeft overgenomen, is voor het eerst van de nieuwe afspraken gebruikgemaakt.

Verdere stappen kunnen worden gezet om de Europese veiligheidsidentiteit te versterken, zonder de NAVO te verzwakken en de al bestaande verspilling van defensiegelden nog erger te maken. Serieuze overweging verdient de gedachte het bondgenootschap, op basis van een arbeidsverdeling tussen Europa en Amerika, om te vormen tot een organisatie die uit twee kringen van samenwerking zou bestaan. Van de eerste kring zouden alle lidstaten deel uitmaken. Dit samenwerkingsverband zou zich vooral moeten richten op de verdediging tegen externe bedreigingen (terrorisme en de mogelijke inzet van massavernietigingswapens) en het beteugelen van conflicten buiten Europa, voor zover deze de veiligheid van het Euro-Atlantische gebied raken.

De tweede kring zou kunnen bestaan uit de Europese NAVO-lidstaten. Zij moeten in staat worden geacht in eerste aanleg de verantwoordelijkheid te dragen voor de stabiliteit binnen Europa, zeker bij om de uitvoering van vredesondersteunende operaties als die in Bosnië en Kosovo. Het Europese samenwerkingsverband zou zijn neerslag moeten krijgen in een aangepaste bevelsstructuur binnen de NAVO, waarbij recht wordt gedaan aan de overwegende bijdrage van de Europese bondgenoten aan de uitvoering van operaties in het eigen werelddeel.

Voor het welslagen van dit hervormingsplan is het wenselijk dat Frankrijk binnen de geïntegreerde militaire structuur van het Bondgenootschap terugkeert. In 1997 was hiervan bijna sprake. De Franse regering stelde toen herintreden afhankelijk van de inwilliging van de eis dat het zuidelijke commando van de NAVO in Napels niet langer door een Amerikaan maar door een Europeaan wordt geleid. Het was te voorspellen dat dit op krachtige weerstand van de kant van de VS zou stuiten. Gezien de gespannen relatie tussen Parijs en Washington lijken de kansen op volledige reïntegratie op korte termijn niet zo groot.

De Franse regering zal beseffen dat de twijfel die naar aanleiding van Irak is gerezen of Frankrijk nog wel bereid is tot nauwe politiek-strategische samenwerking met de VS, schadelijk is voor de positie van het land ten opzichte van de nieuwe lidstaten in de EU. Bovendien loopt Parijs het risico dat de Amerikaanse regering erop zal aandringen, met de kwestie van de militaire steun aan Turkije nog vers in het geheugen, dat de besluitvorming binnen de NAVO over militaire aangelegenheden meer via het Comité voor de Verdedigingsplannen (waar Frankrijk buiten staat) zal lopen dan via de Noordatlantische Raad. De vraag is hoe wendbaar de Franse diplomatie zal blijken te zijn.

Generaal-majoor bd. mr.drs. C. Homan en prof.dr. A. van Staden zijn verbonden aan het Instituut Clingendael.