Een oceaan van liefde

Arme Barry White. Zijn dochter, las ik in deze krant, heeft afgelopen week bekend gemaakt dat de beroemde Amerikaanse soulzanger getroffen is door een beroerte die zijn spraakorgaan heeft aangetast. Hij zal nooit meer zingen; bovendien is de helft van zijn enorme lichaam verlamd. Ik moest even slikken. Dus nooit meer die diepe hese bezwerende bas, die uitgesponnen ritmische mijmeringen over eindeloos langgerekte vrijpartijen tussen paars-zijden lakens bij kaarslicht. Afgelopen met die zachtmoedige aansporingen om samen met hem het mysterie van het lichaam te verkennen, ondersteund met de vioolstrelingen van zijn Love Unlimited orkest en de mooi kokette koortjes van Love Unlimited zelf, het souldamestrio waarin jarenlang zijn eigen vrouw zong.

Love Unlimited White's gezongen oeuvre is één lange ode aan de zachtmoedige seks, die ook altijd liefde is, hijzelf één brok zwoele overredingskracht. Toen hij zijn reeks grote hits schreef, halverwege de jaren zeventig, werd hij niet serieus genomen door de muziekpers. Soul moest rauw zijn, en Barry was soft heel erg soft. ,,My First, My Last, My Everything'', ,,Cant Get Enough of Your Love'' ikzelf liet ze als tiener ook onopgemerkt aan me voorbijgaan; dit was een wereld vol donkere vrouwen met lange roodgelakte nagels, die zich na een paar glazen roze champagne met de zachte hand van Barry naar een Kingsize Bed lieten leiden, met aan het plafond ongetwijfeld donkere spiegels. In die tijd zag seks er voor mij heel anders uit.

Maar die nummers bleken vreemd onvergankelijk, en in de loop van de jaren groeide mijn affectie voor Barry White die stem, de uitgekiende ritmes, dit was wel degelijk ook soul. En die wereld van softe seks als het centrum van alles, dat was geen kitscherige gimmick, het was niets minder dan een evangelie.

Zo'n tien jaar geleden besloot ik hem voor deze krant te gaan interviewen. Hij was toen nog niet gerehabiliteerd door de critici, en ik werd hier en daar vierkant uitgelachen. Barry White! Popmuziek presenteert zichzelf als de meest democratische van alle kunsten, maar in werkelijkheid is ze door en door snobistisch. Barry White kon toen niet en een half jaar later kon Barry White ineens wel.

Ik nam de trein naar Düsseldorf, waar White een concert zou geven in een troosteloze hal aan de rand van de stad. Ik meldde me aan bij zijn manager, een iele, blanke man met lang haar met een valse grijns, die me eindeloos liet wachten. Tien minuten voor aanvang van het concert mocht ik Barry in zijn kleedkamer nog even een paar vragen stellen.

De man bleek even imposant als zijn stem; een zwarte boeddha met een stijlvol getrimd baardje en weemoedige ogen in zijn kansarme jeugd was hij op het verkeerde pad geraakt en pas na een flinke gevangenisstraf had hij het licht gezien, nu eens niet van die eeuwige Jezus, maar van de seks die tegelijk hemelse muziek was. Nu was hij een en al herwonnen evenwicht, een vleesgeworden harmoniemodel. Met een welwillende glimlach hoorde hij mijn te ingewikkelde vragen aan en hij antwoordde met korte nietszeggende antwoorden: ,,Yeah, that's me.'' Eigenlijk had hij niets te zeggen. Vlak voor hij opging signeerde hij een foto van hemzelf voor me met grote gouden letters. Ik kreeg een grote, warme hand.

In de jaren daarna nam White's carrière opnieuw een hoge vlucht. Zijn platen bleken klassiekers, hij kreeg de kans om nieuwe cd's uit te brengen, die hem nog een paar bescheiden hits opleverden. Maar zijn liefdesevangelie vergeestelijkte zich meer en meer. In een later interview bekende hij dat seks in zijn leven geen rol meer speelde. Hij had een gigantisch aquarium in zijn woonkamer laten installeren en het grootste gedeelte van de dag bracht hij kijkend naar de vissen door. Ik stelde me hem voor, met dat grote onbewegelijke lichaam, ongetwijfeld in een donkerpaarse zijden ochtendjas, de vriendelijke vochtige ogen, starend naar de gekleurde vissen in het verlichte aquarium. Een oceaan van rust en natuurlijk ook weer van liefde.

Maar het nieuws van zijn beroerte maakte bij mij nog een herinnering los. Bij dat concert in die hal in Düsseldorf vond een klein incident plaats. De grote hal was uitverkocht en onder het publiek bevonden zich opvallend veel Turkse jongeren, bij wie de softe melodieuze soul van White populair was. Net toen White op het podium bezig was met het quasi-dirigeren van zijn beroemde instrumentale Love Symphony hij zwaaide wat met een stokje op en neer voor het driftig strijkende Love Unlimited Orchestra brak in de zaal een opstootje uit. Een paar rijen voor mij werd een meisje door een Turkse jongen met een harde stomp in haar gezicht tegen de grond geslagen. Het incident duurde kort, de jongen werd afgevoerd, maar het bracht een rimpeling van onrust in de hal teweeg, die uiteindelijk ook het podium bereikte. Barry White hield even op met dirigeren, verdween in de coulissen en keerde toen weer terug, nog altijd deinend op zijn liefdessymfonie. In de microfoon zong hij trage bezwerende zinnen om de zaal te kalmeren. In zijn stem klonk een onkarakteristieke wanhoop door: ,,Remember, nobody ever got hurt at a Barry White concert.''

Hij meende het. Hij was echt ontdaan. Hij geloofde er oprecht in, in zijn symfonie van de liefde, in heel dat evangelie van zachte krachten en vloeiende lijnen, het idee van de seks en liefde als een soort aards nirwana, waarin de krijsende demonen van zijn jeugd voorgoed het zwijgen opgelegd werd. Het opstootje in de zaal was onbegrijpelijk voor hem, zijn muziek moest niets hebben van de woede en agressie waaruit zoveel rappers putten. Dat zijn muziek geweld zou oproepen, was voor hem ondenkbaar. Zijn muziek was een elektrische deken, waarin het leven bezongen werd als een gigantisch voorverwarmd bed.

Onhoudbaar, natuurlijk, onwerkelijk, maar niet onecht. Het leven rekent keihard af met romantici. Kunstenaars die het goede voorhebben met de mens, worden genadeloos afgestraft door de ervaring. Maar ik vermoed dat White's geloof in de kosmische liefde zelfs nu nog ongeschonden zal zijn. Waarschijnlijk heeft hij, ook nu het einde nadert, genoeg aan zijn aquarium.