AAN HERCULES GEWIJD HEILIGDOM IN ITALIË ONTHULT AARDBEVINGEN

Onderzoek van een aan Hercules gewijd heiligdom bij Campochiaro, in de zuidelijke Apennijnen, toont aan dat het gebied gedurende de eeuwen rond het begin van onze jaartelling, door veel meer aardbevingen is getroffen dan uit historische bronnen bekend is. Het onderzoek toont zelfs aan met welke snelheid een breuk zich ter plaatse ontwikkelde (Geophysical Research Letters, 30).

Het desbetreffende gebied, Samnium, een heuvelachtige streek in de omgeving van de stad Benevento, is een van de seismisch meest actieve gebieden van Italië. Gedetailleerde bronnen gaan ongeveer acht eeuwen terug, maar van de Middeleeuwen en de Romeinse oudheid is weinig bekend, ook wat betreft het optreden van aardbevingen. Onderzoek aan oude gebouwen om de seismische geschiedenis van het gebied te reconstrueren is, in tegenstelling tot veel andere plaatsen in de Apennijnen, nooit eerder uitgevoerd. De ruïnes en funderingen van het aan Hercules gewijde heiligdom, dat in de vierde eeuw voor Christus werd gebouwd en dat tot de vierde of vijfde eeuw na Chr. nog druk werd bezocht, blijken daar nu uitermate geschikt voor.

De ruïnes vertonen ontzette muren en funderingen, die cumulatief werden aangetast door opeenvolgende aardbevingen. De eerste die het gebouw duidelijk beschadigde dateert van de derde eeuw v.Chr. Dat blijkt uit de beschadigde en onbeschadigde delen, waarvan de ouderdom bekend is: sommige rechthoekige vertrekken dateren uit de vierde eeuw v.Chr., een zuilenhal uit de derde eeuw v.Chr., de stenen muur rondom het complex en een monumentale, nooit afgebouwde poort van ca. 290 v.Chr., en een grote tempel (die over de gebouwen uit de vierde en derde eeuw is heen gebouwd) van ongeveer 130 v.Chr.

Van de eerste aardbeving was tot nu toe niets uit historische bronnen of uit seismische inventarisaties bekend. Verdere aantasting van het gebouw vond plaats door de catastrofale aardbevingen (beide met een kracht van meer dan 6,5 op de schaal van Richter) van 1456 (12.000-70.000 doden) en 1805 (5.000 doden), die uit historische bronnen goed bekend zijn.

Het geologische effect dat de aardbevingen hebben bewerkstelligd, werd aangetoond door het graven van een twee meter diepe sleuf. Die werd gesitueerd door een breuklijn die vlak langs het heiligdom loopt. In de afzettingen was de breuk goed zichtbaar. De breuk, die niet doorloopt tot aan het aardoppervlak, maar wordt als het ware afgedekt door sedimenten die na de laatste aardbeving gevormd zijn, geeft een verplaatsing te zien van ongeveer 110 cm.

De onderzoekers concluderen dat de beweging langs de breuklijn tussen de derde eeuw v.Chr. gemiddeld 0,9 mm per jaar moet hebben bedragen, maar dat het merendeel van die verplaatsing tijdens de drie grote aardschokken moet hebben plaatsgevonden. Op grond van de verstoringen menen ze dat de aardschok uit de derde eeuw v.Chr. een kracht moet hebben gehad van ongeveer 6,7, en dus net zo sterk was als de catastrofale beving van 1456.