Aan dadendrang ten onder

Hij is in aanleg Nederlands beste gravelspeler, maar ontbreekt maandag wanneer op Roland Garros het tweede grandslam- toernooi van het jaar begint. Edwin Kempes (26) is afgedaald naar de kelder van het proftennis. ,,Ik ben, nee, ik was mentaal geblesseerd.''

Het lijkt al weer eeuwen geleden. In wat bijna als `een vorig leven' kan worden bestempeld, mocht Edwin Kempes opdraven als de verrassende debutant in de Nederlandse Davis-Cupploeg. Het was februari 2002, nog geen zestien maanden geleden, en als vervanger van de gepasseerde Raemon Sluiter bood hij eerst de Franse kopman Sébastien Grosjean verdienstelijk verweer, om twee dagen later diens kompaan Arnaud Clément te verslaan. De herinnering aan de driedaagse (en verloren) landenwedstrijd in Metz roept ruim een jaar later op tenniscomplex Amstelpark slechts een flauwe glimlach op. ,,Denk ik niet vaak meer aan.''

Drie maanden geleden, bij de opnieuw mislukte seizoenstart van de Davis-Cupploeg tegen Zwitserland, zat hij in Arnhem op de tribune. ,,Ik heb een kaartje gekocht, net als ieder ander. Nee, daar voel ik mij niet te groot voor. Waarom zou ik?'' De geboren Amsterdammer, zoon van een Nederlandse vader en een Filippijnse moeder, kent zijn plaats. ,,Ik sta niet meer in de schijnwerpers.''

Na het vorige seizoen nog te zijn begonnen als de beloftevolle nummer 131 van de wereld doolt hij inmiddels rond in de grijze middenmoot van het proftennis. Hij speelt, voor het eerst in zijn carrière, zogeheten Futures toernooien uit de derde divisie van het internationale circuit. Twee weken geleden won de tennisser die ooit de 98ste plaats op de wereldranglijst bezette (zijn beste klassering) zowaar zo'n toernooi in Sauerland. ,,Een klein hoogtepuntje'', zegt hij op vlakke toon. Hij klinkt cynisch, maar is dat niet. Zelfspot kent hij wel, maar slechts in beperkte mate. Het is veeleer realisme dat hem dezer dagen op de been houdt.

In het Future-circuit treft de bijna 27-jarige prof uit Monnickendam gelijkgezinde geesten: spelers die net als hij een forse duikeling op de ranglijst hebben gemaakt, en die al dan niet tegen beter weten in hopen op een snelle terugkeer bij de mondiale tenniselite. ,,Jongens die in de tophonderd hebben gestaan, maar een vervelende blessure achter de rug hebben en daardoor vaak worstelen met hun motivatie.'' Voor dat laatste is de kelder van het proftennis niet bepaald het ideale kuuroord, weet Kempes uit ervaring. ,,Het is misschien niet goed te praten, zeker niet in mijn geval, maar spelen voor een paar dollar is toch wat anders dan spelen voor een hoofdprijs van enkele tienduizenden dollars. Hoe meer is toch hoe beter, ook voor de motivatie.''

Het gros van zijn tegenstanders daarentegen is jong, fris en gretig. ,,Van de meesten ken ik de namen niet, zo kort zijn ze pas bezig. Ze hebben één ding gemeen: ze willen snel hogerop. Temidden van die jonge gasten voel ik me af en toe een ouwe lul. Aan de andere kant: juist omdat ze allemaal jong, fris en onbevangen zijn, prikkelt me dat. Zij houden mij scherp.'' En toch: ,,Loser is een groot woord, maar tijdens zo'n toernooi spoken er soms vragen door mijn hoofd. Zo van: wat ben ik hier in hemelsnaam aan het doen? Is dit nou nodig, Edwin? Waarom heeft het zover moeten komen? Dat gebeurt gelukkig niet dagelijks en als het gebeurt, moet ik dat soort vragen ook meteen weer wegdrukken. Anders word je stapelmesjokke.''

Hij is ondanks alles niet somber, maar aan de bittere conclusie valt niet te ontkomen: Kempes' indertijd met veel verwachtingen gestarte profcarrière bevindt zich in de schemerzone. Maar voor gepieker is geen ruimte meer. Al zo vaak is hij verteerd door twijfels dat hij gerust kan stellen dat hij in zijn hoofd inmiddels alle denkbare wegen heeft bewandeld. En dus overheerst de berusting, al was het maar uit zelfbescherming. ,,Ach, mijn ranking. Ik sta nu zo ergens rond plaats vierhonderd, geloof ik. Ik weet het niet eens precies. Het is vervelend, zo ver verwijderd te zijn van het doel dat je voor ogen hebt, maar het is nu eenmaal zo. Het zijn drie cijfertjes, meer niet. Ik weiger mezelf daar nog langer blind op te staren. Dat frustreert alleen maar. Ik kan inmiddels relativeren, dat scheelt. Je hebt mooie en minder mooie jaren, zo simpel is het.''

Aan zijn fysieke talent ligt het niet. Integendeel: verschillende trainers en coaches uit zowel binnen- als buitenland prezen hem al eens als de in potentie beste gravelspeler van Nederland. Maar als maandag op het gemalen baksteen van Roland Garros het tweede grandslamtoernooi van het jaar begint, ontbreekt de tennisser die onlangs de hulp weer inriep van zijn voormalige coach, oud-prof Vincent van Gelderen. Zo bedroevend is zijn ranking dat Kempes niet eens toegang kreeg tot het kwalificatietoernooi. Daarmee houdt de gravelspecialist een dubieuze traditie in ere: van de vier grandslamtoernooien is uitgerekend Roland Garros het enige waaraan hij nooit heeft deelgenomen.

Het fascineert hem ook wel weer, dat dubbelleven dat zo weet hij nu onlosmakelijk verbonden is met het profmétier. ,,Toen ik begon, wist ik niet beter. Er was maar één weg en die ging omhoog. Inmiddels ken ik niet alleen de voor-, maar ook de achterkant van de topsport. Dat maakt me als mens rijker. Dan kan je wel zeggen: daar koop je als sporter niet zoveel voor. Maar dat is niet helemaal waar. Al die ervaringen, zowel positief als negatief, neem je wel mee. De kunst is nu alleen om die bagage op een constructieve manier aan te wenden. Daar ben ik nu mee bezig. Dat gaat niet van vandaag op morgen.''

Bovendien: ,,Het tennis, ach, dat gaat wel, dat verleer je niet zo snel. Ik sta niet met tegenzin te trainen, en sta ze af en toe ook nog best goed te raken. Maar ik weet gewoon dat ik ook met bepaalde aspecten van het tennisleven moeite heb. Dat is geen kwestie van even de knop omdraaien. Was het maar zo. `Het gevoel' moet terugkomen en zeker nu, als ik weer eens een toernooi gewonnen heb, dan kan ik weer een tijdje vooruit. Het verschaft de energie die ik momenteel goed kan gebruiken.''

Hij spreekt afwisselend in de tegenwoordige en in de verleden tijd. ,,Ik ben, nee, ik was mentaal geblesseerd'', is deze ochtend een veelzeggende uitspraak. Kempes zegt de sleutel gevonden te hebben, maar worstelt nog overduidelijk met het openen van de deur. Lichaam en geest zijn elkaar weer genaderd, en dat is al heel wat. Maar van een perfecte harmonie is vooralsnog geen sprake. ,,Dat kan ook niet. Ik heb de laatste maanden relatief weinig wedstrijden gespeeld, mede door motivatieproblemen, omdat ik geen zin had om te reizen, geen zin had voluit te trainen. Dan mag en kan je niet verwachten goede prestaties neer te zetten.''

Het waren vooral opeenvolgende teleurstellingen die hem een jaar geleden geestelijk langzaam maar zeker murw beukten. Na zijn opmerkelijke debuut in het Davis-Cuptoernooi volgde de ene na de andere deceptie in nota bene de op één na hoogste divisie van het proftennis, het Challenger-circuit. ,,Het probleem was: ik kon geen vervolg geven aan een goede prestatie. Meestal begon ik wel aardig aan een partij, maar dan raakte ik halverwege de kluts kwijt en was het gedaan. Dat is zo ongelooflijk frustrerend dat ik uit woede een paar keer m'n racket kapot heb geslagen. Als je eenmaal in die negatieve spiraal zit, kom er dan maar eens uit. Dan wordt het van kwaad tot erger. Dat gebeurde dan ook. Ik wilde wel, maar ik kon de zaken niet keren.''

Daar bovenop kwam de afkeer van het vele reizen. Het is het onvermijdelijke lot van de ambitieuze tennisprof, maar het `uit de koffer leven' kan Kempes gestolen worden. Hij is geen huismus, maar: ,,Reizen verschaft geen rust. Ik deed het zelf, maar ik voelde me opgejaagd. Ik moest, dus ik ging, maar met de pest in mijn lijf. Het is een vicieuze cirkel: win je af en toe eens een potje, dan vergoedt dat veel. Verlies je daarentegen keer op keer, dan gaat dat reizen je op een gegeven moment zo vreselijk tegen staan dat je al geïrriteerd uit de auto of het vliegtuig stapt en dan aan een toernooi begint. Dat is natuurlijk niet de juiste houding. Dan sta je bij wijze van spreken al met één set achter.''

Omdat hij langzaam maar zeker ,,een karikatuur'' van zichzelf werd, besloot Kempes vorig voorjaar zijn racket op te bergen. Hij stond al wel vaker op het punt zijn carrière te beëindigen en weer een studie op te pakken, maar ditmaal was de gedachte om voorgoed te stoppen sterker dan ooit. Hij walgde van het vak, maar vooral van zichzelf. ,,Op de baan voelde ik geen spanning meer. Het was weg, verdwenen, heel onwerkelijk. Dan moet je bij jezelf te rade gaan. Als na verloop van tijd blijkt dat je telkens in min of meer dezelfde valkuil stapt en weinig tot niets heb geleerd van het verleden, dan moet je jezelf toch serieus gaan afvragen of het nog zin heeft om door te gaan.''

Wat volgde was een kritische blik in de spiegel. Conclusie van Kempes' innerlijke zoektocht: hij was het slachtoffer van zijn eigen dadendrang. ,,Ik stel hoge eisen aan mezelf. Dat is niet erg, alleen: je moet wel realistisch blijven. Dat was ik niet. Ik moet eerlijk zijn: ik ben geen killer, ik ben geen Lleyton Hewitt (de Australische nummer één van de wereld, red.). Die ziet op de baan alleen de bal en verder niets. Hij vecht voor werkelijk elk punt, terwijl ik de neiging heb om het bij 40-0 kalmpjes aan te doen. Drie kansen om de game af te maken, dus waarom zou ik me druk maken als ik de eerste kans niet benut? Kennelijk zit dat in me.''

Afgunst kent hij evenwel niet. ,,Jongens als Sluiter en Verkerk zijn constanter dan ik. Die hebben domweg een hoger basisniveau. Ik zal moeten leven met de gedachte dat ik in mentaal opzicht nu eenmaal kwetsbaarder ben dan zij. Dat is geen frustratie, dat is realiteit.''

Wie hem hoort praten, is getroffen door zijn openhartigheid. Glimlachend: ,,Ik kan maar beter openlijk erkennen en benoemen waar de schoen wringt dan dat ik m'n mentale tekortkomingen verzwijg. Dat heb ik lange tijd gedaan, maar geholpen heeft het niet.''

Wie hem hoort praten, krijgt eveneens het gevoel dat zijn afscheid aanstaande is. Maar die suggestie verwerpt Kempes. ,,Als ik stop, dan op rationele gronden, niet op een emotionele. Zo wil ik geen afscheid nemen. Ik maak er nu óf een comeback óf een afsluiting van. Dat ben ik mezelf verschuldigd na al die investeringen. Pin me d'r niet op vast, maar als ik aan het einde van het jaar zo rond plaats 250 sta, ga ik door. Zo niet, dan is het over. Tennis vind ik nog steeds prachtig, maar ik ben ook tot de ontdekking gekomen dat ik meer interesses heb. Ik zou graag wat in de sportmarketing of in sportkleding willen doen. Het andere leven is, zo eerlijk moet ik wel zijn, nu wel dichterbij dan voorheen.''