Vernederd door zijn eigen verval

Ernstige storingen in de communicatie tussen de VS en het oude Europa zijn geen nieuw verschijnsel. Ook Winston Churchill streek in zijn politieke machteloosheid de Amerikanen tegen de haren in.

Is Jacques Chirac een leerling van Charles de Gaulle of van Winston Churchill? De vraag lijkt vreemd, niet alleen tegen de achtergrond van het Brits-Franse conflict over de oorlog tegen Saddam Hussein. De houding van Chirac roept herinneringen op aan het verzet van zijn voorganger De Gaulle tegen de dominerende rol van Washington. In 1966 besloot deze Franse president het militaire NAVO-bondgenootschap te verlaten om de Franse zelfstandigheid te demonstreren. Datzelfde jaar reisde hij, eveneens tegen de zin van de Amerikaanse regering, naar Moskou om de sovjetleiders samenwerking aan te bieden. Deze spectaculaire initiatieven leverden veel aandacht op, maar leidden ook tot een isolement dat de Franse invloed ondermijnde.

Amerika voor de voeten lopen als demonstratie van politieke eigenwaarde: deze door De Gaulle tot politieke kunst verheven traditie heeft de bedoeling Europa uit te tillen boven de status van slaafse secondant. De Franse president had niet de primeur van deze oppositiekoers. Klaus Larres, hoogleraar internationale betrekkingen in Belfast, maakt namelijk in Churchill's Cold War duidelijk dat deze Britse premier de politieke vader is van een eigenzinnigheid die al sinds meer dan een halve eeuw garant staat voor periodiek oplaaiende conflicten in de Atlantische verhouding.

Toen Churchill in 1945 ondanks zijn prestige als oorlogsleider door de Britse kiezers werd weggestemd, leek zijn politieke rol uitgespeeld. Maar hij wist zich te handhaven als aanvoerder van de Conservatieve partij en bij de verkiezingen in 1951 de regeringsmacht te heroveren. Churchill was opnieuw eerste minister, vijftig jaar nadat hij in 1901 op 26-jarige leeftijd zijn intrede in het Lagerhuis had gedaan. Larres probeert in zijn rijk gedocumenteerde en goed geschreven boek de heersende indruk weg te nemen dat de oude oorlogsheld in zijn politieke nadagen alleen maar aan de macht bleef kleven omdat hij de glamour van het hoogste ambt niet kon missen.

Churchill had uitgesproken opvattingen over de manier waarop de zojuist uitgebroken Koude Oorlog gevoerd moest worden. Hij probeerde vier jaar lang met zijn nog altijd indrukwekkende energie en welbespraaktheid de Amerikaanse regering voor een tweesporenpolitiek te winnen: militaire kracht opbouwen om communistische expansie tegen te gaan, maar ook onderhandelingen openen om de spanningen te beteugelen. Internationale politiek, aldus Churchill, wordt gemaakt door krachtige persoonlijkheden die weten hoe ze hun macht in de omgang met tegenstanders moeten gebruiken.

President Truman voelde niets voor deze plannen. Amerika begon in de zojuist begonnen Koude Oorlog net warm te draaien, tot aan het Koreaanse front toe. Toen Truman in januari 1953 werd opgevolgd door Eisenhower en twee maanden later na de dood van Stalin ook in Moskou een ander leiderschap aantrad, zag Churchill nieuwe mogelijkheden. Hij bestookte de nieuwe president met voorstellen voor een ontmoeting van `de grote drie': de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië. Maar net als zijn voorganger reageerde ook Eisenhower afhoudend. Hij voelde zich, zo is in het boek van Larres te lezen, zwaar belaagd door de opdringerigheid van de ambitieuze Churchill, maar was te beleefd om deze oude oorlogskameraad hardhandig tot de orde te roepen. Van zijn kant oordeelde de Britse premier dat de Amerikaanse president dom en kortzichtig was: waarom wilde hij niet luisteren naar Europese raadgevingen die steunden op eeuwen van ervaring in de omgang met de macht? Het was een klacht die in de decennia daarna, tot op de dag van vandaag, een vast onderdeel is geworden in de communicatie van West-Europese met Amerikaanse leiders.

De opvolgers van Stalin waren volgens Churchill bereid tot een koerswijziging die unieke kansen bood op een drastische verbetering van de Oost-Westverhouding. Binnenlands werden de teugels van de onderdrukking gevierd en in de buitenlandse politiek lanceerde de Sovjet-Unie een diplomatiek vredesoffensief. In mei 1953 hield Churchill in het Lagerhuis een grote redevoering waarin hij deze initiatieven beantwoordde. Tot afgrijzen van Eisenhower, die in zijn verkiezingscampagne een `roll back'-politiek had beloofd om het communisme terug te dringen, deed de Britse premier namens het Westen Moskou het aanbod in hoge mate rekening te houden met de veiligheidseisen van de Sovjet-Unie.

Polen zou voorlopig, aldus Churchill, een communistische marionettenstaat kunnen blijven en Duitsland zou een neutrale eenheidsstaat moeten worden. Vooral dit laatste voorstel deed president Eisenhower gruwen. Toen op 17 juni 1953 het sovjetleger een volksopstand in Oost-Berlijn bloedig onderdrukte, leken de initiatieven van Churchill gesmoord. Zelf zag hij dit anders. Moskou deed volgens hem in Oost-Duitsland niets anders dan het gevaar van anarchie de kop indrukken. De voorstellen van Churchill strandden niet alleen op tegenzittende omstandigheden, zoals de opstand in de DDR. Hij overschatte schromelijk zijn eigen mogelijkheden, hoewel hij gewaarschuwd was. Op de topconferenties tijdens de Tweede Wereldoorlog had Roosevelt hem al laten voelen dat `de grote drie' die gezamenlijk tegen Hitler streden, in werkelijkheid twee groten en een kleintje waren. Na zijn aantreden in 1951 werd Churchill niet alleen door Washington, maar ook door Moskou herhaaldelijk ingewreven dat de Britse initiatieven tot een topontmoeting te veel afkomstig waren van de zijlijn.

De Britse premier was zeker niet blind voor de Britse achterstand in macht. Sterker nog, Larres maakt duidelijk dat de initiatieven van Churchill om de spanningen in te dammen vooral waren ingegeven door de overtuiging dat Groot-Brittannië deze handicap alleen zou kunnen goedmaken dankzij economisch herstel, dat om een periode van vrede vroeg. Maar de hoofdrolspelers in Moskou en Washington verkeerden te veel in de ban van hun ideologisch geïnspireerde competitie om het Britse verlangen naar ontspanning te kunnen delen. Churchill meende dat zijn natie nog meetelde dankzij de bijzondere relatie met de Verenigde Staten, het bezit van de Commonwealth en de band met Europa. Maar de Amerikaanse regering werd alleen maar moe van zijn aanbevelingen, de Commonwealth behelsde niet veel meer dan een imperium in staat van aftakeling en de politieke samenwerking in Europa was ook toen al noodlijdend. Duitsland stond nog onder curatele van de geallieerden en het gedrag van de Franse regering bezorgde Churchill aan de lopende band politieke hartkloppingen.

Klaus Larres vat de problemen van Churchill fraai samen: de strategie van de Britse premier was `inherently logical but fairly unrealistic'. Logisch, omdat Groot-Brittannië snakte naar een adempauze om zich te herstellen van de oorlogsinspanningen. Niet realistisch, omdat het als tweederangsmogendheid de grote twee niet kon overreden om te doen wat in het belang van de Britten was. De vicieuze cirkel van de Britse onmacht kon zelfs door de titaan Churchill niet worden doorbroken. `Ik word vernederd door mijn eigen verval', verzuchtte hij. Die uitspraak sloeg evenzeer op zijn natie als op zijn persoon. Hoewel het hem aan vitaliteit niet ontbrak, kende hij toch momenten van afwezigheid en verwardheid die afbreuk deden aan zijn overtuigingskracht. Die handicap leidde tenslotte in 1955 tot zijn aftreden.

Waren Churchills pleidooien voor een indamming van de Koude Oorlog voor niets geweest? In zijn boek Diplomacy (1994) roemt Henry Kissinger hem als de intellectuele vader van een ontspanningspolitiek. Die politiek kwam op gang in de jaren zeventig na Churchills dood in 1965. Maar de echte tragiek van Churchill als Koude-Oorlogspoliticus zat ergens anders. In het boek van Larres blijkt hij toch vooral een radeloze partner die bij gebrek aan macht zijn toevlucht neemt tot de rol van lastpost, een politicus die zijn eigenwaarde moet bewijzen door de grote bondgenoot voor de voeten te lopen. Churchill was de eerste West-Europese leider die opgesloten zat in een zelfoverschatting die tenslotte alleen de trivialiteit van de eigen positie onderstreept. Als de machtsmiddelen ontbreken die een zelfstandige of alternatieve politiek moeten schragen, plaatst men zich met eigenzinnigheid alleen maar buitenspel. Wat dan nog overblijft, is niets anders dan pathetische parmantigheid. Zo verging het Churchill in de jaren vijftig, De Gaulle in de jaren zestig en zo vergaat het Chirac in 2003.

Klaus Larres: Churchill's Cold war. The Politics of Personal Diplomacy.

Yale University Press, 582 blz. €48,50