Nederland kan jaloers zijn

Toen de Nijmeegse literatuurhistoricus Michiel van Kempen in 1983 naar Suriname trok, bestond daar nauwelijks serieuze literatuurkritiek. Twintig jaar later heeft hij een monumentaal overzichtswerk over de Surinaamse literatuur geschreven.

Het is misschien wat wrang dat de eerste complete literatuurgeschiedenis van Suriname geschreven is door een Nederlander, geboren en getogen in het land van de voormalige kolonisator en niet door een letterkundige van eigen bodem. Hoe dat zo gekomen is wordt pas aan het einde van dit monumentale werk duidelijk en wel in de enige bijdrage die niet afkomstig is van samensteller Michiel van Kempen zelf. Het staat in een hoofdstukje dat is gewijd aan de literatuurkritiek van het Surinaamse dagblad De Ware Tijd. Daarin beschrijven twee medewerksters van die krant dat het Michiel van Kempen was die het initiatief nam tot het oprichten van De Ware Tijd Literair, een wekelijkse literaire pagina, waarvan hij in november 1986 de eerste redacteur werd. Tot op dat moment was er in de Surinaamse pers alleen mondjesmaat over literatuur geschreven, meestal anoniem. In een zo kleine gemeenschap als Suriname hangt het leven, ook het literaire leven, aan elkaar van roddel en vriendjespolitiek. Voor een kritische, boven etnische en andere rivaliteiten uitstijgende literatuurgeschiedenis van de hand van een Surinaamse auteur was de tijd misschien nog niet rijp.

Van Kempen (1957) kwam in 1983, kort na de decembermoorden, op een onderwijscontract voor drie jaar naar Suriname. Bij gebrek aan lesmateriaal over Surinaamse literatuur begon de in Nijmegen opgeleide neerlandicus maar zelf met het samenstellen van een literatuurgeschiedenis. Deze monnikenarbeid, die hij combineerde met het voor Surinaamse begrippen uitermate kritisch recenseren van recente Surinaamse literatuur, resulteerde in de lijvige dissertatie onder de titel Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur waarop hij in 2001 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam en die werd uitgegeven door de Surinaamse uitgeverij Okopipi. In Nederland kreeg deze doorwrochte studie nauwelijks aandacht, maar nu is er met behulp van de nodige subsidies een schitterend uitgegeven, bijna 1400 pagina's tellende handelseditie verschenen. Het boek omvat meer dan vijfhonderd jaar vertellen en schrijven in Suriname, is rijk geïllustreerd en voorzien van indrukwekkende bibliografieën en registers. Het is terecht dat de Nederlandse overheid deze uitgave mede heeft gefinancierd, want het gros van de Surinaamse literatuur behoort, al was het maar wegens de taal waarin zij geschreven is, tot het Nederlandse cultuurgoed. Nederland kan trots zijn op deze ontsluiting van de Surinaamse letteren en tegelijkertijd ook een beetje jaloers. Van de Nederlandse en Vlaamse literatuur is sinds het oubollig opgezette en met een katholiek sausje overgoten uit 1952 daterende Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde van Gerard Knuvelder en diens twee jaar later uitgekomen Handboek tot de geschiedenis der Moderne Nederlandse letterkunde geen naar compleetheid strevend overzicht meer verschenen. Weliswaar beschikken we sinds 1985 over het omvangrijke en informatieve werk De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs onder redactie van G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, maar daarin ontbreekt een breed historisch en maatschappelijk kader.

Al voor de publicatie van zijn proefschrift gold Van Kempen als autoriteit op het gebied van de Surinaamse literatuur. In 1995 stelde hij de gezaghebbende bloemlezing Spiegel van de Surinaamse poëzie samen en in 1999 volgde Mama Sranan: 200 jaar Surinaamse verhaalkunst. Slechts een enkele kniesoor wist daar kritiek op te formuleren. Zo maakte schrijfster Thea Doelwijt – een van de paranimfen bij Van Kempens promotie – bezwaar tegen het ontbreken van haar lievelingsschrijver Jacques Salomon Samuels (1859-1939), auteur van toneelstukken en van de bundel Schetsen en typen uit Suriname. In Een geschiedenis van de Surinaamse Literatuur wordt deze omissie ruimschoots goedgemaakt: aan Jacq. Samuels is een van de vele schrijversprofielen in het boek gewijd.

Wie iets van de Surinaamse geschiedenis weet, beseft hoe moeilijk het geweest moet zijn een literatuurgeschiedenis van dit immigratieland bij uitstek te schrijven. Neem alleen al de invloed van de orale cultuur, van heimwee doortrokken verhalen die van generatie op generatie werden doorgegeven door volkeren die als slaven of contractarbeiders werden `geïmporteerd'. Zonder de orale letteren in beschouwing te nemen, kan volgens Van Kempen onmogelijk een adequate beschrijving van de geschreven literatuur tot stand komen, vandaar dat hij veel aandacht besteedt aan de mondeling overgeleverde verhalen. Meestal maakt hij daarbij gebruik van oude antropologische studies, maar waar nodig en mogelijk deed hij ook eigen onderzoek.

De oudste bewoners van het land zijn de indianen of `inheemsen'. De twee grootste groepen, de Kari'na (of Karaïben) en de Lokonon (of Arowakken) hebben, evenals de kleinere stam van de Warau, hun woonplaatsen in de kuststreek. De Tarëno (of Trio), de Wayana en de Akuriyo wonen diep in het binnenland, in de buurt van Braziliaanse grens. Van al deze volkeren schetst Van Kempen een sociaal-cultureel beeld, compleet met hun verhaalgenres, liederen en spreekwoorden. De afro-Surinamers, nakomelingen van uit Afrika aangevoerde slaven, worden onderscheiden in businenge (Van Kempen gebruikt nog de omstreden term bosnegers) of marrons in het binnenland en creolen in de stad en de kuststreek. Hun orale cultuur staat veelal in het teken van de winti, de afro-Surinaamse religie en levenswijze. Van de zes businenge-volkeren zijn de Saamaka en de Ndyuka de grootste, kleiner zijn de Matawai, de Paamaka, de Aluku (of Boni) en de Kwinti. Ook van deze groepen zijn de verhalen, liederen, dansen, spreekwoorden en raadsels geïnventariseerd. Bijzondere aandacht krijgen de ook in Nederland bekende Anansitori's, uit Afrika overgeërfde verhalen over de spin Anansi, een Reinaert de Vos-achtige schelm die in de wrede en harde slaventijd een bijzondere identificatiefiguur werd. Twee bekende vertellers, Aleks de Drie en Harry Jong Loy, worden in profielen geportretteerd.

Ook de latere immigrantengroepen, vooral hindoestanen en Javanen, brachten hun eigen culturele erfgoed mee en gaven dat in de loop der jaren een Surinaams aanzien. In de hindoestaanse cultuur spelen het oude religieuze gedachtegoed en de grote epen als Ramayana en het Mahabharata nog altijd een belangrijke rol. Op veel verhaal-, toneel- en liedvormen heeft het leven in de contracttijd een stempel gezet. Zeer populair werd de baithak gáná, die aanvankelijk een begeleidingsmuziek bij toneelopvoeringen was, maar zich geleidelijk tot een eigen genre met Surinaamse teksten ontwikkelde. Ook in zang, wayang (schimmenspel), toneel, cabaret en dans (de jaran képang, paardendans) manifesteerde zich het Surinaams-Javaanse cultuurgoed. De andere bevolkingsgroepen (Chinezen, Libanezen en joden) hebben beduidend minder sporen in de cultuur achtergelaten.

Het inventariseren van de orale verhaaltraditie moet een honds karwei zijn geweest, al was het maar omdat Suriname tweeëntwintig talen kent. De drie belangrijkste literaire talen zijn het (Surinaams-)Nederlands dat de officiële landstaal en voor steeds meer mensen ook de moedertaal is, de lingua franca: het Sranantongo of Sranan – de taal van de slaven en hun nakomelingen, maar nu door het merendeel van de Surinamers gesproken –, en de taal van de grootste bevolkingsgroep (de hindoestanen): het Sarnami. Voor het proza is het Nederlands de belangrijkste taal, voor de poëzie houden het Nederlands en Sranantongo elkaar in evenwicht. Het Sarnami ging pas na 1977 in de literatuur een rol van betekenis spelen. Het Surinaams-Javaans, de taal van de op twee na grootste bevolkingsgroep, wordt slechts sporadisch in geschreven vorm gehanteerd, terwijl de orale literaire uitingen in die taal op het punt staan geheel te verdwijnen. Voor alle andere talen geldt dat hun bereik ophoudt bij hooguit enkele duizenden of soms zelfs maar honderden mensen.

Vanaf het einde van de 18de eeuw kan gesproken worden van de eerste autochtone geschreven Surinaamse literatuur. Van Kempen beperkt zich bij de behandeling hiervan primair tot teksten die binnen het wat hij noemt `Surinaamse literatuurbedrijf' tot stand zijn gekomen, of die direct belang hebben gehad voor de Surinaamse situatie (bijvoorbeeld in het debat over de afschaffing van de slavernij). Maar hij doet veel meer. Omdat de Surinaamse literatuur, zoals elke literatuur, alleen begrepen kan worden binnen een cultuurhistorische context, komen in de beschrijving van elke historische periode ook de maatschappelijke en demografische geschiedenis aan de orde, de wijze waarop het Surinaamse volk zich cultureel oriënteerde en organiseerde, de taalpolitiek en het onderwijs, de kunst- en vermaakssector en de belangrijkste ontwikkelingen binnen de gemeenschap van Surinaamse migranten in Nederland. Vervolgens wordt het literatuurbedrijf in beeld gebracht, zoals drukkerijen en uitgeverijen, boek en boekhandel, bibliotheken, kranten en periodieken, leespubliek en leesverenigingen, schrijversorganisaties en literaire prijzen.

Deel I van Van Kempens studie behandelt de periode 1596-1957 en eindigt met profielen van enkele schrijvers die de moderne Surinaamse literatuur diepgaand hebben beïnvloed. Om te beginnen natuurlijk Lou Lichtveld, alias Albert Helman (1903-1996), vooral bekend om zijn roman De stille plantage. Hij werd geboren in Paramaribo, als telg uit een geslacht met Duits, creools, Nederlands en indiaans bloed. Van zijn elfde tot zijn veertiende jaar verbleef hij in Nederland om een priesteropleiding te volgen, maar heimwee dreef hem terug naar zijn geboorteland. Uit verbittering over de koloniale mentaliteit in Suriname vertrok hij in 1921 opnieuw naar Nederland waar hij werkte bij verscheidene dagbladen en zich als romanschrijver begon te manifesteren. Hij voelde zich verwant met de groep rond het tijdschrift Forum van Ter Braak en Du Perron, en had volgens Van Kempen ook communistische sympathieën. Hij zou daar in de jaren dertig van zijn teruggekomen `toen hij zag hoe Rusland zich achter het Franco-regime schaarde'. De Sovjet-Unie gaf echter militaire steun aan de tegenstanders van Franco en heeft diens regime nooit erkend. Het is een van de zeer weinige onzorgvuldigheden in dit boek.

Trefzeker schetst Van Kempen ook de betekenis van Anton de Kom (1898-1944), die met zijn Wij slaven van Suriname (1934) zoveel heeft bijgedragen aan het Surinaamse zelfbewustzijn. Ook De Kom was links georiënteerd. Hij werkte, nadat hij wegens opruiende activiteiten het land was uitgezet en zich in Nederland vestigde, mee aan communistische kranten en tijdschriften, nam deel aan het verzet tegen de nazi's en stierf twee weken voor de Duitse overgave in het concentratiekamp Neuengamme. Van Kempen laat zien hoezeer De Kom, al was het maar door de invloed van Multatuli, ook tot de Nederlandse literatuur behoort. Net als Helman paste hij in de traditie van Forum, vooral zijn Slaven van Suriname viel in de smaak bij de voormannen van dit tijdschrift. Zijn invloed op het Surinaamse denken over de eigen identiteit en geschiedenis is immens geweest, vooral op Wie Eegie Sani, een groep studenten en arbeiders rond de charismatische Eddy Bruma.

Aan de dichter, toneelschrijver maar vooral politicus Bruma, die aan de wieg stond van de Nationalistische Beweging Suriname, is het laatste profiel van het eerste deel gewijd. Deze in Nederland opgeleide jurist was geen bijzonder getalenteerde en ook geen productieve schrijver. Hij eindigde als adviseur van Desi Bouterse. Drie jaar geleden stierf hij aan een schedelbasisfractuur, nadat een aanvaller hem op straat met een stomp voorwerp op het hoofd sloeg.

Met meer Surinaamse schrijvers die voor het land in 1975 onafhankelijk werd in Nederland bekendheid genoten is het beroerd afgelopen. Dat valt allemaal te lezen in de uitvoerige schrijversportretten waamee deel twee, lopend van 1957 tot 2000, voornamelijk is gevuld. Het schrijnendst is het stuk over de bevlogen nationalistische journalist Jozef Slagveer, die in 1959 als dichter debuteerde in de Dichtershoek van het Algemeen Handelsblad en in 1980 de groep rond Bouterse coachte in hun publiciteitscampagnes. Gaandeweg ontwikkelde hij meer kritiek op de militairen, die hem in de nacht van 8 op 9 december 1982 samen met veertien anderen in Fort Zeelandia vermoordden. De in 2000 overleden schrijver Hugo Pos, die sinds 1964 in Nederland woonde, wijdde een toneelstuk aan dit drama.

Met Slagveer was Hugo Pos van mening dat niet Surinaamse politici maar Surinaamse dichters het land de onafhankelijkheid hebben gebracht. Een onafhankelijkheid die voor de meesten van hen op een diepe teleurstelling is uitgedraaid. Dat blijkt ook uit het portret van de dichter Michaël Slory, van wie uitgeverij Pegasus al in 1961 de onder het pseudoniem Asjantenoe Sangodare gepubliceerde tweetalige bundel Sarka (Bittere strijd) uitgaf. Slory (1935) is sinds de decembermoorden volkomen gedesillusioneerd geraakt. Terecht noemt Van Kempen hem een groter kunstenaar dan de bekendere, eveneens nationalistische dichter R. Dobru (pseudoniem van Robin Ewald Raveles, 1935-1983). Na de coup van 1980 werd deze ooit vrijheidslievende creool onderminister van Cultuur in het eerste kabinet Chin a Sen en later lid van de `raad van toezicht' die de pers controleerde. Het zal niemand verbazen dat hij een staatsbegrafenis kreeg.

Enkele belangrijke thema's van de nationalistische generatie zoals ontheemding, antikoloniale gevoelens, zelfbewustzijn en solidariteit met onderdrukte volkeren – vallen na 1975 weg. Een aantal prozaschrijvers zocht in navolging van Edgar Cairo (1948-2000) en Astrid Roemer zijn heil in Nederland. Anderen, zoals Bea Vianen, van wie een gloedvol geschreven profiel is opgenomen, keerden daarna ook weer naar hun land van herkomst terug. Veel schrijvers zwegen ten tijde van het militaire regime en zeker na de decembermoorden. Langzamerhand begint naast onderwerpen als slavernij, identiteitsproblemen, heimwee, en discriminatie ook deze traumatische gebeurtenis zijn plaats te krijgen in de literatuur. Van Kempen besteedt uitvoerig aandacht aan Astrid Roemers romantrilogie over de recente Surinaamse geschiedenis.

Uiteindelijk blijkt de onafhankelijkheid en de uittocht naar Nederland de Surinaamse literatuur geen windeieren te hebben gelegd. Sinds 1975 hebben tal van schrijvers, zowel van kinderboeken als van romans voor volwassenen, onderdak gevonden bij grote Nederlandse uitgeverijen. Van Kempen heeft niet voor iedereen evenveel waardering (van de nieuwe romanschrijvers kan volgens hem niemand in de schaduw staan van Cairo en Roemer) maar allemaal worden zij gewetensvol beschreven, evenals hun werk en de receptie daarvan. Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur is daarmee een ware schatkamer, een naslagwerk van grote wetenschappelijke betekenis en dankzij de biografische opzet (in de vorm van de vele schrijversprofielen) ook nog een genot om te lezen.

Valt er dan geen enkele kritiek te leveren op dit indrukwekkende boek? Toch wel, op het eind in zijn `Conclusie' vliegt de zich tot dan toe objectief opstellende literatuurhistoricus volledig uit de bocht, met een uithaal naar essayist Anil Ramdas (eerder in het boek uitbundig geprezen). Die zou het op 3 december 2000, een week na de viering van een kwart eeuw Surinaamse onafhankelijkheid, hebben gewaagd een aanval te doen op het begrip Surinamer en op de Surinaamse literatuur. Van Kempen noemt Ramdas' rede een doodsverklaring, die hij kennelijk heeft opgevat als een aanval op zijn levenswerk: het levend houden van de Surinaamse letteren. Hij voelde zich waarschijnlijk persoonlijk geraakt of zag de legitimatie van zijn standaardwerk erdoor ondergraven worden. Dat werk heeft die verdediging niet nodig. Zijn boek is zelf de beste weerlegging van een onderschatting van de Surinaamse literatuur. Het zal niet snel herhaald, laat staan overtroffen worden en had dus best De in plaats van Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur mogen heten.

Michiel van Kempen: Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Band I 1596-1957 & de orale literatuur. Band II 1957-2000. De Geus, 1396 blz. €125,–