Mensen, dit is een unieke krant

Het blad `Hitweek' stond onvoorwaardelijk aan de kant van jongeren. Peter Pontiac en Henk van Gelder, jeugd van toen en fans van het eerste uur, tekenen hun herinneringen op.

Het eerste nummer van Hitweek heb ik altijd bewaard. Het is geel geworden en op de vouwen begint het een beetje te rafelen. Geen wonder: het dateert van 17 september 1965, dat is lang geleden. En toch straalt de opwinding van toen me weer tegemoet, zodra ik het blaadje van zolder heb gehaald. Die grote foto van Brian Jones en daarnaast het schreeuwerige bericht dat de Rolling Stones van plan waren zich in de Verenigde Staten te vestigen. Dat verslag, heet van de naald door iemand in Amerika, over het optreden van de Beatles in Shea Stadium in New York. Maar vooral dat stukje tekst, rechtsboven, waarin het credo van dit nieuwe blad was verwoord.

,,Want we zijn', stond er uitdagend boven, omdat een speelse geest de eerste drie woorden van het stukje als kop had gebruikt, en daaronder begon de tekst: ,,van mening, dat de ouderen bang voor ons, tieners, zijn. We worden als kleuters toegesproken en worden geassocieerd met kreten als `Wouw', `Geweldig', `In' etc. Er is angst voor de vasthoudendheid en het razendsnel improvisatie-vermogen waarmee wij de dingen aanpakken. Het is ontstellend hóe veel tieners (wat `n rot woord) er rond lopen met geniale ideeën, plannen, verhalen, foto's. Het overgrote merendeel blíjft echter rondlopen, want er schijnt weinig plaats voor onze initiatieven in deze volwassenen-maatschappij te zijn...'

Hitweek zou een blad worden zonder redactie en zonder hoofdredacteur, heette het verder. Het stond open voor alle lezers. Iedereen was welkom met foto's, teksten en plannen, zonder betutteling van ouderen. ,,Mensen, dit is een unieke krant. Er gaat iets gebeuren. Let op. Nu gaan we spijkers met koppen slaan!!!!!'

Ik was negentien en liet me meteen meeslepen. Tot dan toe was ik een gretig lezer van maandbladen als Muziek Expres en Muziek Parade, want wie alles over popmuziek wilde weten, kon nergens anders terecht. In de kranten werd alleen over gillende fans geschreven, of over burgemeesters die een concert verboden uit angst voor relletjes. Het feit dat die bladen vaak een wat kinderachtige toon hadden, en overduidelijk door ouderen werden gemaakt – net als de weinige popprogramma's op radio en televisie – leek me de normaalste zaak van de wereld. De media waren nu eenmaal in handen van hen die zich op de maatschappelijke ladder al een weg naar boven hadden gebaand. Daarvoor moest je dus ouder zijn dan wij, dat kon niet anders.

En dat gold niet alleen voor de media, maar ook voor de platenindustrie. We hadden weliswaar sterren van onze eigen leeftijd (hooguit soms een paar jaar ouder), maar hun producers en managers waren nog steeds mannen van middelbare leeftijd. Nadat de rock & roll hen tien jaar eerder even aan het wankelen had gebracht, hadden ze zich snel hersteld. Voortaan kneedden de veertigers en de vijftigers hun tienersterretjes tot nette jongelui, die nette liedjes zongen – wat ritmischer dan de vorige vocalistengeneratie, maar niet wezenlijk anders. In 1964, nog maar een jaar geleden, sprak Willeke Alberti (ook negentien) in een dankwoordje bij haar gouden plaat voor Spiegelbeeld de producer en de tekstdichter nog keurig aan met u.

Pas de Beatles en de Rolling Stones wisten, vooral omdat ze hun succesnummers zelf schreven, langzaam maar zeker meer macht naar zichzelf toe te trekken. Daarbij hadden de Beatles bovendien het geluk dat hun producer George Martin – met wit overhemd en stropdas typisch een representant van de gevestigde orde in de platenindustrie – in werkelijkheid net zo belust op experimenteren bleek te zijn als zij.

3 dubbeltjes

Op dat breukvlak verscheen Hitweek. Het blad kostte `3 dubbeltjes', aldus het titelblok linksboven, en `4 voor één gulden'. Dat laatste verwees naar het vermoeden van de oprichters dat de reguliere distributiekanalen misschien niet zo happig op zo'n opstandig krantje zouden zijn. De bedoeling was dat het ,,op hoeken van straten, bij stations en op pleinen' te koop zou worden aangeboden door ,,een keten van fanklubs en andere ondernemende tieners'. Zo zou de nieuwe generatie ook in dit opzicht het heft zelf in handen nemen. Dat was nog eens iets anders dan Muziek Expres of Muziek Parade.

Hitweek provoceerde. ,,TV bang voor tieners', luidde de kop boven een aanval op het schrijnende gebrek aan goede popprogramma's. ,,Men durft het niet aan de enige juiste weg te bewandelen: een tienerprogramma laten produceren en regisseren door tieners en twens zèlf', aldus de anonieme auteur. ,,Jos Brink zou een juiste figuur zijn of Wim de Bie. Er zijn echter tieners en twens genoeg, die bij uitstek geschikt zijn programma's voor ons te maken.' Elders werd geklaagd over de afwezigheid van een permanent beatcentrum in Nederland (,,stel je voor: een reusachtige ruimte waar elke dag gedanst en geluisterd kan worden'), terwijl de achterpagina verontwaardigd melding maakte van ,,Gestapo-toestanden' in Nijverdal, waar rechercheurs van de kinderbescherming binnenvielen op tienerfeesten ,,om te kijken of er geen oneerbare handelingen verricht worden'.

Eindelijk, een blad dat onvoorwaardelijk aan onze kant stond. Maar nu ik het eerste nummer herlees, valt me ook op hoe mooi die schrille schotschrifttoon in balans wordt gehouden door de losse, speelse sfeer op de andere pagina's. Er werden zware kopletters gebruikt, rood onderstreept zoals tot op de dag van vandaag in de Duitse schandaalkrant Bild Zeitung, maar er stonden ook rare, grappige tekeningetjes tussen, en koppen in handschrift of in ouderwetse krulletters. Er was een kolommetje met verzonnen rubrieksannonces (,,Rob de Nijs zoekt werk voor de avonduren') en er was een bonte pagina gemaakt vol ,,betaalbare beat-mode' van Josje Leeger en Marijke Koger. En trouwens: is dat eigenlijk wel een authentiek ooggetuigeverslag uit Shea Stadium? Het is gesigneerd door ,,John van Dijke, postbesteller te Shea (U.S.A.)'. Bestond hij echt, of is hij een verre voorloper van de fictieve verslaggevers van De Nieuwe, de latere onzinkrant van Peter J. Muller?

Willem de Ridder

Het zou me niet verbazen, want hoewel Hitweek zonder redactie door het leven zei te gaan, stonden er wel twee samenstellers in het colofon: Willem de Ridder en Peter J. Muller. Verschillender dan die twee konden weinigen zijn. De Ridder (25) was afkomstig uit de Fluxus-beweging, die kunst schiep uit het leegschenken van een flesje limonade in de Noordzee, maar in het circuit van de conceptkunst zag hij geen heil. Veel vrolijker leek het hem, bijvoorbeeld via een massamedium, de kunst op straat te gooien. Muller (19) wist daarentegen niets van kunst; hij was alleen maar een verwoed krantjesmaker die ervan droomde persbaron te worden. Zijn eerste blaadje heette Beatbox, waarin hij al geharnaste commentaren schreef tegen de onmondigheid van de jongeren. Hun werelden liepen zodoende mijlenver uiteen.

Maar in Hitweek kwamen ze wonderwel samen. Inhoud en vorm waren één, mede dankzij het feit dat drukkerij Augustin + Schoonman graag wilde demonstreren welke ongekende mogelijkheden de nieuwe offset-techniek schiep. Niet langer hoefden strakke tekstkolommen en rechthoekige foto's te worden geperst in de onwrikbare pasvorm van de oude loodtechniek. Op de grote opmaakvellen kon De Ridder alles tekenen en plakken wat hij wilde, waarna het via fotografische weg persklaar werd gemaakt. Al in het eerste nummer was te zien hoe springerig het resultaat kon zijn. Ook dat was nog maar zelden vertoond. Net als het ironische taalgebruik, waarin het tussenvoegsel eh... een vaste stijlfiguur werd (,,Hi ha Hitweek, koop die eh... krant even!') en melige neologismen opdoken als nederbiet en hitpuree.

Ik weet nog hoe spannend ik Hitweek vond, en ik was niet de enige. Al in het vierde nummer trok het blad een lange neus naar de ouderen die zelf wel zouden bepalen wat goed voor ons was: ,,Ze hebben er op gevloekt en ze hebben er hun gat mee afgeveegd. Ze hebben hun tanden geknarst en hun wenkbrauwen gefronst. (-) Het maken van kranten, het weergeven van gedachten was door de eeuwen heen een zaak van volwassenen. Voor ons was er dan Arend, Pep, Muziek Expres en Donald Duck. De tijden veranderen. Bob Dylan zingt het. Hitweek bewijst het.'

In hetzelfde nummer stond een hernieuwde aanval op de platenindustrie, die nog altijd de voorkeur gaf aan slappe idolen met slappe liedjes – zoals Sophietje van Johnny Lion – boven de betere muziek van Nederlandse beatgroepen. En even verderop schreef een zekere Krim: ,,Willeke Alberti en die walgelijke pa van d'r moeten met hun kwijlnummers naar het heelal gestuurd worden. En Gert Timmerman is helemaal het eind van alle ellende. Geef mij de Stones maar.'

Het past allemaal precies in het romantisch-rebelse beeld dat ik me zo graag herinner. Maar dat Hitweek ook moralistisch kon zijn, was ik vergeten – waarschijnlijk omdat dat er veel minder goed in past. ,,Ik vind dat alcohol en beat niet samengaan!' schreef Wim de Bie in een van die eerste nummers, zich excuserend voor zijn ,,vermanend vingertje'. Verwijzend naar berichten over een concert van The Who in Den Haag, waar de whisky rijkelijk had gevloeid, concludeerde hij: ,,Ik zeg niet dat het ZORGWEKKEND is, of zoiets, want wat kan het mij schelen. Iedereen doet maar waar 'ie zin in heeft. Ik vind alleen dat de beat, de muziek dus, de emoties moet oproepen en niet drank uit een fles. Dat geldt niet alleen voor de artiesten, maar ook voor het publiek.'

De Bie werkte in die dagen op de jeugdafdeling van de VARA-radio. Er kwamen destijds heel wat VARA-medewerkers op het door Hitweek geboden podium af, al was het maar omdat ze bij hun eigen omroep nog lang niet zo veel vrij spel hadden. Onder hen was ook de toenmalige perschef André van der Louw, die al snel een belangrijke rol in de redactionele organisatie ging spelen. Eind 1966 was hij voorts de auteur van het spraakmakende artikel ,,Vleugels van de pop', dat losjes en zonder veel argumenten een politieke scheidslijn trok tussen allerlei grote namen in de popmuziek. Elvis Presley was rechts (,,die heeft het uitgevonden') en de Beatles waren links (,,wat wil je met Liverpoolse volksjongens'). Rechts was ook Anneke Grönloh, ,,die het heimwee van de kolonialen bezingt', terwijl Boudewijn de Groot onverhoeds het stempel ,,salonsocialist' kreeg.

Zelf was Hitweek natuurlijk links, want de wereld was in die dagen duidelijk verdeeld: links was vooruitstrevend en jong, en rechts stond gelijk aan oud. De enige rechtse jongere was Hans Wiegel, en die was eigenlijk niet eens zo jong meer. Vandaar dat Peter Muller met slaande deuren vertrok, nadat hij een column in de door links verguisde Telegraaf had gekregen. Logisch, hij had verraad gepleegd. Pas achteraf blijkt dat hij de eerste van de lange rij Hitweek-medewerkers was die onderdak vonden bij de eens zo burgerlijke media. Steeds meer kranten, weekbladen en omroepen (vooral de VPRO) vonden dat ze nodig eens aandacht aan de sixties moesten besteden. En omdat de onbezoldigde Hitweek-jongeren die wereld kenden, lag het voor de hand juist hen als medewerker in huis te halen. Repressieve tolerantie, noemden we dat schamper. Maar bijna alle betrokkenen wilden graag in een echte krant schrijven of voor een echte omroep werken. Zodat het unieke geluid van Hitweek hoe langer hoe minder uniek werd. Het begon in steeds meer media door te dringen.

Het laatste nummer van Hitweek, inmiddels in een oplage van 30.000 exemplaren te koop voor ,,60 sentjens', verscheen op 25 april 1969. ,,Volgende week gaat die nieuwe krant van jou beginnen', meldde de voorpagina. Willem de Ridder wilde weg van de onvermijdelijke professionalisering van het oude krantje. In plaats daarvan richtte hij het veertiendaagse Aloha op, dat tot in 1974 bleef bestaan – en ten slotte nog professioneler werd dan Hitweek.

Chatroom

De betovering was toen allang voorbij. ,,Hitweek/Aloha heeft z'n functie gehad', zei André van der Louw, voorzitter van de Stichting Aloha, bij het afscheid. ,,We bevochten een bepaalde vrijheid en wilden taboes doorbreken. Nu is er in andere media, in kranten, tijdschriften, radio en tv zo'n stuk vrijheid gekomen, dat de specifieke behoefte aan Aloha – waarin alles kon – is verminderd.'

In hedendaagse termen leek Hitweek misschien nog het meest op een chatroom, waarin iedereen zonder tussenkomst van redigerende vaklieden aan het woord kan komen. Maar er is minstens één groot verschil: nu zijn het individuen die hun hart willen luchten, terwijl in de jaren zestig een hele babyboomers-generatie opgroeide die iets te zeggen wilde hebben. En toen Hitweek dat opeens mogelijk maakte, was dat iets om opgewonden van te raken. Eindelijk kwam er een blad dat van ons was. ,,Jongens, we gaan het grandioos aanpakken', aldus het eerste nummer. ,,Er zal, er moet, er gáát meer leven in de brouwerij komen.' Daarom heb ik het altijd bewaard.

Hitweek! 1965-1969, in De Beyerd, Breda, 25/5 t/m 17/8. Inl. (076) 5299900, www.museumdebeyerd.nl

Willem de Ridder (samenstelling): Het beste uit Hitweek. Uitg. Het Spectrum, €29,95