Gestolen kunst (2)

Afgelopen zaterdag verscheen een artikel van F. Kuitenbrouwer onder de titel `Gestolen kunst gedijt goed – De bezwaren tegen het Unidroit-verdrag', waarin ingegaan wordt op het wereldwijde probleem van kunstroof en het Unidroit-verdrag dat het mogelijk maakt om gestolen kunst terug te vorderen die over de landsgrenzen is geraakt.

Het artikel begint met het vraagstuk van de door Griekenland geclaimde Elgin Marbles. Hierbij wordt de indruk gewekt dat door ratificering van het Unidroit-verdrag claims zoals de Griekse wel zullen slagen, hetgeen onjuist is aangezien het Unidroit-verdrag geen terugwerkende kracht oplevert.

Een ander bezwaar van de auteur is de omgekeerde bewijslast in combinatie met een verjaringstermijn van 75 jaar. De algemene regel is echter dat een restitutieclaim ingesteld moet worden binnen drie jaar nadat men weet waar het voorwerp zich bevindt, en overigens sowieso binnen 50 jaar na de diefstal. De termijn van 75 jaar geldt slechts in bijzondere gevallen en wijkt nauwelijks af van wat al in de Europese richtlijn voor restitutie van gestolen kunst bepaald wordt.

Ook zou toepassing van vreemd recht in strijd zijn met het beginsel dat juridische verplichtingen van tevoren behoorlijk kenbaar moeten zijn. Dit bezwaar mist feitelijke grondslag, aangezien de nationale wetgevingen van bronlanden wel degelijk kenbaar zijn. Als we Kuitenbrouwer volgen, zou dit overigens ook betekenen dat het internationale privaatrecht – dat uitgaat van de mogelijke toepassing van vreemd recht – niet meer kan functioneren.

Het Unidroit-verdrag is weliswaar een zwaar middel, maar levert in de praktijk niet de problemen op zoals Kuitenbrouwer die voorziet. Het bezwaar van het Unidroit-verdrag is dat ook dit geen zaligmakend medicijn is tegen kunstroof. Als aanvulling op effectieve nationale maatregelen kan het echter een passend sluitstuk zijn.