De uitzondering is regel geworden

In de oudheid was de `homo sacer' een man die buiten de wet stond en die straffeloos gedood mocht worden. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben diepte hem op uit het verleden om te laten zien hoe de hedendaagse mens volgens hem alleen zijn `naakte leven' nog heeft.

Bij het woord `heilig' denkt vrijwel iedereen aan godsdienst. Zo niet de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben, wiens spraakmakende boek Homo sacer (1995) eind vorig jaar in Nederlandse vertaling is verschenen. De `heilige mens' uit de titel heeft niets met religie te maken, maar betreft een `duistere figuur uit het oude Romeinse recht': de misdadiger die uit de gemeenschap wordt verbannen, en die daarna straffeloos kan worden gedood, maar niet mag worden geofferd (wat betekent dat hij ook van alle rituelen is uitgesloten). Een `homo sacer' stond buiten de wet, beroofd van al zijn rechten en andere politieke kwalificaties; het enige wat hij nog bezat was zijn bedreigde `naakte leven'.

Waarom roept iemand, een filosoof nog wel en niet een historicus, deze merkwaardige figuur uit de oudheid weer in herinnering? Wat zou de `homo sacer' ons – in 1995 of 2003 – nog te zeggen kunnen hebben?

Naar ik vermoed is Agamben op het idee gebracht door Walter Benjamin, wiens verzamelde werk hij in Italië heeft bezorgd. In het essay Zur Kritik der Gewalt verwijst Benjamin namelijk naar de antieke associatie tussen `heilig' en `naakt leven'. Maar de actualiteit van de `homo sacer' als belichaming van het `naakte leven' lijkt toch vooral te danken aan Michel Foucault, die de hele moderne politiek begreep als een `biopolitiek', dat wil zeggen een politiek waarin alles nog slechts draait om het (naakte) leven. Dat leven is tegenwoordig onze hoogste politieke waarde: een gegeven dat niet van gevaar is ontbloot, aangezien juist dit leven op een vervelende, zelfs sinistere wijze is verbonden met de soevereine macht.

Om dit te verduidelijken klopt Agamben, wie enig eclecticisme niet vreemd is, aan bij Carl Schmitt, die de soeverein ooit in een beroemd geworden definitie omschreef als `degene die beslist over de uitzonderingstoestand'. Dat maakt ook van de soeverein zelf een soort uitzondering of anomalie; binnen de rechtspolitieke orde is hij de enige die haar kan opschorten. Zijn beslissing berust niet op enige wet of regel, maar is een soevereine beslissing, een machtswoord. Recht en geweld zijn daarom in de persoon van de soeverein niet goed meer van elkaar te onderscheiden. Voor de onderdanen brengt dat met zich mee dat zij tegenover de soeverein komen te verkeren in de positie van potentiële `homines sacri', schrijft Agamben; in de uitzonderingstoestand, de opschorting van de normale orde, beschikken zij nog slechts over hun `naakte leven', waarmee de soeverein in principe kan doen wat hij wil.

Soevereiniteit

Op deze manier is dit naakte leven in zekere zin de voorwaarde voor de soevereiniteit. Of, zoals Agamben het noemt, het is vanuit de soevereiniteit gezien het `oorspronkelijke politieke element'. Dat rechtvaardigt de aandacht voor de `homo sacer', in wiens uitsluiting of verbanning Agamben de oorspronkelijke politieke dimensie wil zien waaraan de soevereiniteit haar bestaan ontleent. Deze hypothese (want méér kan het niet zijn, bij Agamben hangt alles van analogieën en correspondenties aan elkaar) wordt tegen de moderne contract-theorieën (van Hobbes tot Rousseau) in stelling gebracht. Maatschappij en staat zouden niet zijn ontstaan op basis van een sociaal contract, maar op basis van een `ban', de prijsgave van het leven aan een soevereine macht die over leven en dood beslist.

Wat betekent dit alles nu voor de moderne `biopolitiek', waarin het leven de centrale factor is geworden? Als we Agamben mogen geloven, dan komt het erop neer dat wat eens de uitzondering was nu steeds meer de neiging heeft om de regel te worden. Anders gezegd: de uitzonderingstoestand begint steeds meer de normale toestand te worden. Dat klinkt kras. Wil Agamben soms beweren dat de toestand van volstrekte rechteloosheid, waarin de burger is gereduceerd tot zijn naakte leven, nu normaal zou zijn geworden?

Ja, dat lijkt Agamben inderdaad te willen beweren, als we zien dat voor hem het concentratiekamp het `biopolitieke paradigma van de moderne tijd' is geworden. `Het kamp is de ruimte die ontstaat wanneer de uitzonderingstoestand regel begint te worden'. En dat geldt niet alleen voor Hitlers Derde Rijk, het geldt ook voor de moderne democratieën, waarin de `biopolitiek' eveneens domineert. Tussen democratie en totalitarisme bestaat daarom een nauwe band, dat wil zeggen: op `geschiedfilosofisch gebied' en in weerwil van allerlei concrete verschillen. Vandaar, schrijft Agamben, de `anders onverklaarbare snelheid [...] waarmee de parlementaire democratieën in onze tijd konden omslaan in totalitaire staten en de totalitaire staten bijna naadloos konden overgaan in parlementaire democratieën'.

Ook dat klinkt kras, maar op het `geschiedfilosofische' niveau waarop Agamben zich beweegt is nu eenmaal voor concrete historische details geen beslissende plaats ingeruimd. Wèl mogen zij de geponeerde stellingen illustreren, en dan blijkt dat de filosoof, hoe resoluut en apodictisch hij zijn stellingen ook pleegt te verwoorden, toch enig gas terug moet nemen.

Zolang hij over het Derde Rijk spreekt, is er geen probleem: de nazi-dictatuur stelt wat haar verschrikkingen betreft zelden teleur. Ruimte voor overdrijving lijkt hier nauwelijks te bestaan. Maar dat ligt anders bij die parlementaire democratieën, zelfs wanneer ze zijn veranderd in `postdemocratische spektakelmaatschappijen'. De hedendaagse varianten van de antieke `homines sacri' zijn daarin lastiger te vinden dan in het concentratiekamp. Agamben redt zich eruit door te stellen: `Als er vandaag de dag geen duidelijke figuur van de homo sacer meer bestaat, komt dit misschien doordat wij allen virtueel homines sacri zijn'.

Democratie

Zo kan ik het ook, ben je in eerste instantie geneigd te denken. Maar Agamben komt daarna toch nog met enkele concrete voorbeelden, zoals de vluchtelingen (of asielzoekers), de comapatiënten en `bepaalde periferieën van onze steden'. Telkens gaat het om uitzonderingen op de normale rechtsorde, die het leven van de betreffende personen uitleveren aan de quasi-soevereine genade van de officials (politie, artsen, ambtenaren) met wie ze te maken krijgen. Je zou in dit verband ook kunnen denken aan de gevangenen die gemaakt zijn in de `war on terrorism' en die aan een Amerikaanse Sonderbehandlung worden prijsgegeven. Maar dat de uitzondering hier volledig de regel is geworden, valt toch niet in ernst staande te houden.

Ook de democratie verdient the benefit of the doubt – die zij van Agamben niet krijgt. Dat neemt niet weg dat zij in de praktijk minder het rijk van de vrijheid is dan zij zichzelf voorspiegelt. Terecht wijst Agamben op de paradoxale coïncidentie van de toename van individuele vrijheid én van collectieve disciplinering, of in zijn eigen woorden: `De ruimtes, vrijheden en rechten die de individuen in hun conflict met de centrale machten verwerven, effenen ook telkens het pad voor een stilzwijgende maar steeds grotere invoeging van hun leven in de staatsorde'.

In de `biopolitiek', die al begint met de figuur van de `homo sacer', meent hij de sleutel te hebben gevonden, die een broodnodige herschrijving mogelijk maakt van de geschiedenis van de moderne westerse politiek. Met de geijkte politieke categorieën zou een paradox als de bovengenoemde immers niet te begrijpen zijn. Maar dat is niet het enige. Uiteindelijk zal er een `categoriale vernieuwing' moeten komen: geen terugkeer naar de klassieke politiek en evenmin een overwinning ten gunste van de door Foucault gewenste `nieuwe economie van lusten en levensfuncties'. Maar, aldus Agamben, `in plaats daarvan moeten we het biopolitieke lichaam, het naakte leven, tot het oord maken waar een levensvorm zich vestigt die geheel en al in naakt leven is overgegaan'.

Ik heb eerlijk gezegd geen idee wat hier bedoeld wordt. Moet iedereen banneling of vluchteling worden? Of zich daarmee identificeren? Of is het voldoende dat we afzien van elke, volgens Agamben juist door de mensenrechten gesanctioneerde, nationale identiteit? Wie zal het zeggen.

Homo sacer is niet de moeite waard vanwege de oplossingen die het suggereert, maar vanwege de problemen die het aansnijdt. Agamben werpt prangende vragen op over het begrippenapparaat waarmee we gewoonlijk de politiek proberen te begrijpen. Hij stelt een nieuw, weinig gerieflijk paradigma voor (het kamp als de `zuivere, absolute en ongeëvenaarde biopolitieke ruimte') dat ons kan dwingen om op een andere manier naar de hedendaagse maatschappelijke en politieke verschijnselen te kijken. Zonder de zelfgenoegzaamheid die de democratie tegenwoordig, bij gebrek aan serieuze concurrentie, zo vaak aankleeft.

Maar helaas, hoe de gewenste `categoriale vernieuwing' eruit zou moeten zien, noodzakelijk in verband met de `aandringende catastrofe' die Agamben onheilspellend in vooruitzicht stelt, blijft volslagen duister, evenals trouwens de aard van die `catastrofe'.

Giorgio Agamben: Homo sacer. De soevereine macht en het naakte leven. Vertaald door Ineke van der Burg. Boom/Parrèsia. 213 blz. €22,50

Op 28 mei a.s. organiseert de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam in de Balie (Kleine Gartmanplantsoen 10, Amsterdam) een avond over Agambens Homo sacer met Lieven de Cauter, Helga Geyer-Ryan, Henk Manschot en Joke Hermsen. Reserveren: 020–5535100