De koloniale fuik

Er is een ware hausse aan boeken over de geschiedenis van het kolonialisme. Dat is niet verwonderlijk in een tijd waarin pleidooien voor `democratisch imperialisme' en multiculturele tolerantie tegenover elkaar staan. Uit nieuwe overzichtswerken blijkt dat winst- en verliesrekening van het koloniale tijdperk niet zo simpel is op te maken.

Op 4 december 1857 sprak de beroemde missionaris en ontdekkingsreiziger David Livingstone op de universiteit van Cambridge over de opstand tegen het Britse gezag, die was uitgebroken in het verre India: `Ik denk dat we een grote fout hebben gemaakt door handel met India te drijven en tegelijktijd ons te schamen voor ons christelijk geloof. Deze wegbereiders van beschaving – christendom en commercie – zouden altijd als één geheel moeten worden gezien.' Een heel tijdsbeeld ligt in deze formulering besloten: geloof en gewin moesten gezamenlijk een nieuw koloniaal elan opleveren.

Livingstone had gelijk met zijn vaststelling dat de East India Company in de eerste anderhalve eeuw van zijn bestaan geen enkele poging tot kerstening had ondernomen en met het oog op de handelsbelangen eerder religieuze tolerantie praktiseerde. In de loop van de negentiende eeuw werd gebroken met die afstandelijke houding en onder meer deze botsing van beschavingen leidde tot een gewelddadige uitbarsting, de zogeheten Indian Mutiny van 1857. Vrij snel daarna keerde de Britse vorstin Victoria tot de oude principes terug en verklaarde dat er geen sprake van kon zijn om eigen overtuigingen op te leggen aan de onderdanen.

Deze onzekere zoektocht van de Britten in India staat niet op zichzelf. Wie over de geschiedenis van het Europese kolonialisme leest wordt in ieder geval getroffen door de aaneenschakeling van onbedoelde gevolgen. Het is een geschiedenis die op de tast is gemaakt. Wat begint als verspreide en spaarzame handelsposten in Afrika, Azië en de Nieuwe Wereld, ontwikkelt zich struikelend tot een stelsel van vreemde overheersing, dat zijn eigen tegenkrachten oproept en daar uiteindelijk aan tenonder gaat. De steeds verdere doordringing van de binnenlanden vanuit de kustgebieden is vaak als een metafoor opgevat: de Europese mogendheden raken meer en meer verstrikt in een koloniale onderneming, waarvan de winst- en verliesrekening niet zo simpel is op te maken, noch in economische, noch in morele zin.

Het is de historische rol van Europa geweest om de wereld aaneen te binden in een netwerk van onderlinge, vaak conflictueuze, relaties. Europa heeft de wereld aangeraakt en nu wordt het van de weeromstuit door de wereld aangeraakt. De gevolgen van de lange overheersing door Europa dringen zich nog dagelijks op, al was het maar in de vorm van migratiebewegingen. Of zoals Pakistaanse jongeren in Londen het zeggen: `We are here because you were there.' De meer dan problematische onafhankelijkheid van veel vroegere kolonieën en de Europees-Amerikaanse interventies op vele plaatsen, maken dat onze horizon nog steeds diepgaand wordt bepaald door het tijdperk van wereldwijde overheersing.

In onze dagen is sprake van een herwaardering van het kolonialisme. Sommigen spreken naar aanleiding van de oorlog in Irak met enthousiasme over een `democratisch imperialisme', dat de leidraad zou moeten zijn voor westerse bemoeizucht met autoritaire regimes waar ook ter wereld. Daar tegenover staat de multiculturele tolerantie die juist een geheel andere conclusie trekt: door de misstanden van de koloniale tijd hebben de westerse normen hun zeggingskracht vergaand verloren. Europa en Amerika moeten zich dan ook terughoudend opstellen. Duidelijk is dat de houding die men inneemt tegenover het koloniale tijdvak grote betekenis heeft voor het hedendaagse handelen.

Tegen deze achtergrond kan het niet verbazen dat er een gestaag groeiende literatuur is die de koloniale ervaring wil beschrijven en opnieuw wegen. De Leidse historicus Henk Wesseling heeft na zijn klassieke boek uit 1991 over de deling van Afrika (Verdeel en heers. De deling van Afrika 1880-1914) nu een overzichtswerk geschreven dat het Europese kolonialisme in de negentiende eeuw behandelt. Anders dan zijn Afrika-studie, die een duidelijk zwaartepunt had in tijd en plaats, waaiert zijn aandacht nu uit over alle continenten. Dat heeft een boek opgeleverd dat soms plichtmatig is – alle landen en regio's passeren de revue in telkens enkele bladzijden – maar dat toch een leesbare inventarisatie biedt.

De grote greep gaat onvermijdelijk ten koste van de dramatiek die nu eenmaal in het detail huist. Toch komen we mooie uitspraken en anekdotes tegen, die inzicht bieden in de koloniale mentaliteit van weleer. Zo haalt Wesseling een wraakzuchtig versje aan dat in Nederland rondging tijdens de oorlog in Atjeh eind negentiende eeuw. De woede gold een van de leiders, Teukoe Oemar, die overliep naar degenen die zich tegen Nederland verzetten: `En Toekoe Oemar die moet hangen/ Naar Atjeh toe! Naar Atjeh toe!/ En Toekoe Oemar gaan wij vangen,/ Naar Atjeh toe! Naar Atjeh toe!'

Wesseling schetst uitvoerig de ontwikkelingen op lange termijn die aan de Europese expansie ten grondslag lagen. Daarbij wijst hij vooral op de gestage demografische groei van Europa. In het midden van de zeventiende eeuw bedroeg het Europese aandeel van de wereldbevolking nog 18,3 procent, begin 1900 was dat 24,9 procent: `Deze groei vormt de achtergrond van vijf eeuwen Europese expansie.' Een aanzienlijk deel van deze bevolking verhuisde naar de overzeese wereld, vooral naar Noord- en Zuid-Amerika. Tussen 1500 en 1800 ging het om twee miljoen Europeanen. Daarna volgde een ware explosie: in de tijd tussen 1840 en 1940 verlieten zestig miljoen emigranten Europa.

In Europa's koloniale eeuw geeft Wesseling een kenschets van de koloniale samenlevingen en biedt hij een typologie van de verschillende imperialismen, waarbij het Britse er op alle manieren uitspringt. De omvang van dat wereldrijk bedroeg op het hoogtepunt een kwart van het aardoppervlak en de wereldbevolking. In de negentiende eeuw zien we een langzame overgang van een `informal' naar een `formal Empire'. Vooral onder druk van de Franse gebiedsuitbreiding in Afrika, die van Rusland in Azië en de koloniale politiek die Bismarcks Duitsland ging volgen, werden de Britse invloedssferen vastgelegd in koloniën en protectoraten.

Onder historici is het omstreden of er wel sprake is van een duidelijk afgebakend imperialistisch tijdvak in de periode 1870-1914, of dat de continuïteit in de expansiedrang overheerst. Dat laatste geldt misschien wel voor Groot-Brittannië en Nederland, maar Wesseling neigt toch naar de gedachte dat er sprake was van een duidelijke cesuur, zeker waar het gaat om een land als Frankrijk, dat in deze periode zijn koloniale bezittingen verdubbelde. Voor landen als Duitsland, België en Italië, die vóór 1870 geen koloniën bezaten, was de breuk nog duidelijker. Hun koloniale avontuur begint pas aan het einde van de negentiende eeuw.

Hoewel Wesseling het economische motief voor deze expansie niet onderschat, wil hij ook wijzen op andere factoren die voor deze uitbreiding van de Europese invloed in de wereld verantwoordelijk zijn. Zowel overwegingen van machtspolitieke aard, die voortkwamen uit de wedijver in het Europese statenstelsel, alsook een beschavingsmissie, die al dan niet religieus was gemotiveerd, speelden een rol. Vooral dat laatste levert mooie citaten op over de `white man's burden', die werd gebaseerd op een sociaal-darwinistische kijk op de wereld. Zo zei de Britse premier lord Salisbury op het hoogtepunt van de Britse expansiedrang: `You may roughly divide the nations of the world as the living and the dying.' En het was voor eenieder duidelijk aan welke kant er gestorven werd.

Het Britse imperium vormt het onderwerp van een nieuwe boek van de jonge Britse historicus Niall Ferguson, die al eerder de aandacht trok met een studie waarin hij de gangbare opvattingen over de Eerste Wereldoorlog op hun kop zette, The Pity of War (1998). In een prachtig geillustreerd boek vertelt hij met veel gevoel voor persoonlijke wederwaardigheden en anekdotiek de geschiedenis van het Britse wereldrijk, waar zoals bekend de zon nooit onder ging. Het vertelplezier spat van de bladzijden. Het boek begeleidt een televisieserie op Channel Four en al lezend vraagt men zich af: waarom doen we in Nederland niet ook zoiets, een serie over het koloniale verleden zonder al te gemakkelijke oordelen over goed en fout?

Ferguson, die zijn boek meer thematisch dan chronologisch heeft opgebouwd, laat zien hoe het imperium zijn wortels heeft in de piraterij en heel lang een lappendeken is van handelsposten met een weinig ingrijpend bestuur, dat geen ambitie had om de inheemse levenswijze werkelijk te veranderen, maar goeddeels werd geleid door winstbejag. Dat verandert in de loop van de negentiende eeuw wanneer een gecompliceerd beschavingsoffensief wordt ingezet.

Ferguson laat goed zien hoe het religieus en humanistisch geïnspireerde verzet tegen de slavernij op gang kwam en het uiteindelijk won van de economische belangen. In 1807 wordt de slavenhandel verboden en zetten de Britten de marine in om daadwerkelijk te controleren dat er vanaf de West-Afrikaanse kust geen mensen meer worden afgevoerd. Ondertussen gaat de veel oudere slavenhandel naar de Arabische wereld nog lange tijd door, waarmee hij nog weer eens aanduidt dat de slavernij geen Europese uitvinding was.

De morele opstand tegen de slavernij gaat gepaard met een oplevende zendingsdrang in de koloniën: het is een en dezelfde beweging die de vrijmaking van de slaven bepleit en de kerstening van de heidenen propageert. In een fraai portret van de al eerder genoemde Livingstone (`Victorian Superman') laat Ferguson goed zien hoe beide motieven zich vermengen. De beschavingsijver van de jonge missionaris wordt overigens erg op de proef gesteld als hij merkt dat een poging tot bekering eindigt in een drinkgelag: `Iemand met minder ervaring dan ik zou geschokt zijn dat een serieuze verhandeling over de dag van het laatste oordeel zo weinig effect had', noteert Livingstone in zijn dagboek met onbedoelde ironie. Toch kiest hij er uiteindelijk voor om de missie vaarwel te zeggen en stort hij zich met ongebreidelde energie op de exploratie van de Afrikaanse binnenlanden.

Het is de mengeling van winstbejag en hervormingszin, zeg maar van slavernij en spoorwegen, die een eenduidig oordeel over de koloniale tijd onmogelijk en onwenselijk maakt. Het is jammer dat Wesseling niet meer ruimte heeft uitgetrokken om de balans op te maken van de koloniale eeuw die hij in kaart heeft gebracht. Dat zou hebben bijgedragen aan de synthese die hij beoogt te geven. Na de vooringenomenheid van de koloniale denkers en hun vaak marxistisch geïnspireerde critici, is er in onze tijd grote behoefte aan een afgewogen oordeel.

Wesseling heeft geen moeite om de schaduwzijden van het kolonialisme te omschrijven. `De slavenhandel was niet alleen naar hedendaags inzicht immoreel, hij heeft ook onmiskenbaar negatieve gevolgen gehad voor de demografie van West-Afrika, terwijl de slavernij in de Nieuwe Wereld blijvend of althans zeer langdurige negatieve gevolgen heeft gehad voor de slaven en hun afstammelingen.' Ook wijst hij op de genocidale kanten van de koloniale tijd: `De vernietiging van de Herero in Zuid-West-Afrika is daarvan het sprekendste voorbeeld, maar ook langdurige en slepende oorlogen als die van Nederland tegen Atjeh, Bali en Lombok werden op gewetenloze wijze gevoerd.' Tenslotte wijst hij op raciale vooroordelen: `De koloniale samenlevingen werden doorgaans gekenmerkt door apartheid en segregatie en waren vaak gebaseerd op raciale opvattingen.'

Ook in economisch opzicht is het oordeel dat Wesseling velt op zijn minst kritisch te noemen: `Zonder twijfel heeft het kolonialisme voor vele gekoloniseerde gebieden negatieve economische gevolgen gehad.' Maar hij verwerpt de gedachte dat de landen waar de koloniale uitbuiting het verst ging er nu het slechtst aan toe zijn. Dat geldt ook voor verschillende regio's binnen de voormalige koloniale rijken. Men kan niet zeggen `dat de meer geëxploiteerde gebieden als Bengalen en Javah thans de achterlijkste delen zijn.' En hij weet ook dat het kolonialisme `soms ook een moderniseringsproces op gang heeft gebracht dan wel versneld, dat de basis vormde voor een nieuwe economische structuur.'

Wie een opsomming zoekt van alle koloniale misstanden – van de genocide op de inheemse volkeren via de slavernij tot de uitbuiting en de apartheid – kan terecht bij het goed gedocumenteerde Livre noir du colonialisme, de opvolger van het veel besproken en veel vertaalde Livre noir du communisme. In de inleiding trekt de historicus Marc Ferro een vergelijking tussen het kolonialisme en de totalitaire regimes van de voorbije eeuw. De analogie is gekunsteld omdat er een groot verschil is tussen de regimes van Stalin en Hitler, die met moderne middelen totale controle over de samenleving nastreefden en een groot deel van de koloniale geschiedenis die noch de middelen, noch de wil laat zien om een vergelijkbare controle uit te oefenen.

Zo zou het tot begin van de twintigste eeuw duren voordat Nederland Indonesië werkelijk had onderworpen en staatkundig bijeen had gebracht. Doorgaans werd gezocht naar een compromis met lokale machthebbers en werden traditionele vormen van rechtspraak gerespecteerd. Brits-Indië kende niet meer dan enkele duizenden Britse ambtenaren op een bevolking van tweehonderdvijftig miljoen inwoners en was altijd een heel ingewikkeld geheel van uiteenlopende bestuursvormen met wisselende autonomie. Het koloniale bewind was over het geheel genomen echt wat anders dan een modern totalitair systeem.

Dat wil niet zeggen dat het morele oordeel over een verschijnsel als de slavernij geen duurzaam onderdeel van onze collectieve herinnering zou moeten zijn. Integendeel, als er iets is dat laat zien dat de open samenleving een buitengewoon kwetsbare beschavingsnorm vertegenwoordigt, dan is het wel de geschiedenis van de handel in mensen, die terecht in de aandacht staat. Dat geldt ook voor andere aspecten van de koloniale erfenis, die een inbreuk vormen op het humanistische ideaal dat het Westen sinds de Amerikaanse en Franse revoluties aan de wereld heeft willen voorhouden.

En toch is daarmee niet het laatste woord gezegd. Ferguson is minder terughoudend dan Wesseling in zijn oordeel over de verdiensten van het Britse imperium. In de inleiding vindt hij nog veel woorden om de donkere kanten van deze lange geschiedenis van overheersing te beschrijven, maar in de slotconclusie komen overwegend positieve kwalificaties tevoorschijn: zonder het Britse bestuur in de wereld zouden het liberale kapitalisme en de parlementaire democratie nooit zo wijd zijn verbreid als nu het geval is. Ferguson komt tot een samenvattende slotsom: `Wat het Britse imperium heeft aangetoond is dat het imperium een vorm van internationaal bestuur is dat kan werken, en niet alleen voor de heersende macht.'

De meningenstrijd over de morele winst- en verliesrekening van het kolonialisme is van groot belang. De multiculturele tolerantie wordt gevoed door het slechte geweten over de koloniale tijd. Men kan zeggen dat de culturele schok die de niet-westerse wereld heeft ondergaan door de ongewilde aanraking met westerse tradities, in een omgekeerde zin weer terug is geslagen op de westerse wereld en daar een grote onzekerheid heeft veroorzaakt. Onze tijd wordt gedomineerd door de vraag of onze samenlevingen deze schok op een productieve manier weten te verwerken.

Wat daarbij uiteindelijk niet helpt is het cultuurrelativisme dat zich heeft gevormd als reactie op de koloniale misstanden en vooral op de morele superioriteit waarmee deze gerechtvaardigd werden. Deze zelfrelativering wilde bijdragen tot het vreedzaam samenleven van verschillende culturen. Ondanks die nobele intentie moet zeer kritisch over het relativisme worden geoordeeld. Door de erkenning van de macht van de traditie – ieder zijn eigen cultuur – wordt het vooroordeel als het ware gedemocratiseerd: iedereen heeft recht op zijn eigen bevangenheid, op zijn eigen oogkleppen.

Maar een kritische moraal wil uit naam van universele waarden een culturele traditie open kunnen breken. Als iedereen de gevangene zou zijn van zijn eigen cultuur, uit naam waarvan zou men nog iets kunnen of willen veroordelen? Weduweverbranding, eerwraak, kannibalisme, slavernij, uithuwelijking: het zijn allemaal cultuurgebonden uitingen waarvan men toch onmiddellijk ziet dat ze geen algemene gelding hebben, of zouden moeten hebben. Het relativisme kan geen stand houden in een wereld die in toenemende mate vervlochten is. Het zou een passende leer zijn als culturen geïsoleerd naast en los van elkaar zouden leven. Maar in een wereld die door de modernisering diepgaand is beïnvloed kan die gesloten voorstelling van culturen niet meer opgaan.

Die vaststelling is niet onschuldig en heeft bijgedragen tot een pleidooi voor een `democratisch imperialisme', dat opgang maakt in kringen van Amerikaanse neoconservatieven. Maar die opvatting is breder. Niall Ferguson haalt op het einde van zijn boek de Britse premier Blair aan en stelt vast dat diens liberale internationalisme niet zoveel verschilt van dat van zijn negentiende eeuwse voorganger Gladstone. Gezien zijn tamelijk positieve beoordeling van het Britse imperialisme, kan het niet verbazen dat hij een vergelijkbare Amerikaanse rol in de hedendaagse wereld bepleit: `Het is geen toeval dat de kaart waarop de belangrijkste militaire bases van de Verenigde States te zien zijn, verdacht veel lijkt op de kaart die ons de bevoorradingsstations toont van de Royal Navy zo'n honderd jaar geleden.' Maar ook Ferguson weet dat er geen echte wil is om dit imperium verder te formaliseren: `It is an empire that dare not speak its name. It is an empire in denial.'

Velen zien het nieuwe interventionisme – denk aan Kosovo, Afghanistan en Irak – als een voortzetting van het oude kolonialisme met nieuwe middelen. De vraag wordt terecht gesteld of er zoiets als een `democratisch' imperialisme mogelijk is, of dat het gebruik van macht onvermijdelijk alle morele bedoelingen zal corrumperen. Maar zou het opgeven van het democratische ongeduld en de universele bemoeizucht, niet op een verraad aan de traditie van mensenrechten neerkomen? Wat als men loyaliteit zou preken aan de eigen democratie en onverschilligheid zou belijden over de mate waarin deze elders wordt verwezenlijkt? Zo'n universalisme maakt duidelijk dat Europa zich niet naar believen kan terugtrekken uit de moderne wereldorde, die het zo diepgaand heeft beïnvloed. Anders gezegd: uit de koloniale fuik is er geen weg meer terug.

H.L. Wesseling: Europa's koloniale eeuw. Bert Bakker, 397 blz €24,95

Niall Ferguson: Empire.

How britain made the modern world.

Allan Lane. 392 blz. €48,50

Marc Ferro (red):

Le livre noir du colonialisme.

Robert Laffont, 843 blz. €35,38

H.L. Wesseling houdt op zaterdag 24 mei om 14.30 uur naar aanleiding van het verschijnen van `Europa's koloniale eeuw' een lezing in Boekhandel Donner, Lijnbaan 150, Rotterdam. tel. 010–4132070.