De inzeper van Mengelberg

`Als een vrouw zich opschikt met valsche krullen, met valsche heupen, met verf op hare wangen en lippen, wordt ze daardoor mooi?', zo vroeg zich componist en dirigent Cornelis Dopper in gemoede af bij het krieken van de vorige eeuw. `En al doet ze het nog zoo handig en geschikt, dat men bijna niet kan zien, waar de natuur ophoudt en de kunst begint, dan is hare schoonheid toch niets anders dan wat verf, wat houtskool etc., in het kort: het is een leugen. Zoo is slechte muziek ook een leugen, en niemand zal toch durven beweren, dat een leugen, al is zij nog zoo verguld, iets moois is.'

Wat Dopper in de praktijk als leugenachtig, als slechte of goede muziek beschouwde, komt de lezer van Schitteren op de tweede rang, de kloeke biografie die door componist en musicoloog Jaap Stam werd geschreven, niet te weten. Maar wanneer men beseft wat Dopper met name als tweede dirigent van het Concertgebouworkest heeft gedirigeerd, en men tevens een blik werpt op diens compositorische oeuvre dat nu voor het eerst in een omvattende studie te boek is gesteld, zal tot de conclusie komen dat hij een beslist brede, niet-discriminatoire smaak had. Traditionele componisten, of eigenlijk de traditiegevoelige componisten, stonden daarbij op het hoogste plan. En die voorkeur spiegelde zich in zijn eigen componeren.

De ingevoerde muziekliefhebber kent Cornelis Dopper (1870-1939) vooral als dirigent in de slagschaduw van Willem Mengelberg en als componist van orkestwerken als de Cicaonna Gotica (1920), `zijn levenswerk', of de Zuiderzeesymfonie (1917). De laatste compositie werd door collega-componist en meedogenloos criticus Matthijs Vermeulen fijntjes weggezet als `een rapsodie van gedenkklankjes'. Toen het werk in 1918 andermaal op de agenda van het Concertgebouworkest werd gezet, bestond Vermeulen het luidkeels `Leve Sousa' te roepen, refererend aan de Amerikaanse grossier in gevatte marsmuziekjes. Vermeulen werd daarop de toegang tot het Concertgebouw ontzegd. Het voorval zweepte niet alleen de pennenstrijd over de persvrijheid in ons land hevig op, maar maakte tevens de al dan niet discutabele dirigeerkunst van Dopper zo ongeveer tot nationaal gespreksonderwerp. Het Concertgebouwbestuur koos overigens ondubbelzinnig de zijde van de trouwe, lees: slaafse, `inzeper' van chefdirigent Willem Mengelberg, die het orkest klaarstoomde voor de grote dirigent. Pas in 1931 ging Dopper met pensioen.

Het is in deze en soortgelijke anekdotes, waarin Dopper wordt afgeschilderd als terugblikkend kunstenaar van de tweede garnituur, dat zijn naam is blijven voortbestaan. Ook Joop Stam kan dit beeld niet ingrijpend wijzigen. Maar de nuancering die hij aanbrengt en het brede beeld dat hij neerzet van Doppers persoon en werk betekenen een belangrijke aanwinst voor de Nederlandse muziekgeschiedschrijving. Bovendien onderstreept hij nog eens hoezeer Dopper werd gewaardeerd door dirigenten en componisten als Gustav Mahler, Richard Strauss, Maurice Ravel en Pierre Monteux. In de woorden van Willem Pijper: `Wanneer het lot hem niet in Amsterdam had geplaatst, het centrum van tegenwerking, betweterij en antimuzikale gezindheid, maar ergens in Duitsland of Oostenrijk, dan was hij ongetwijfeld uitgegroeid tot een internationale figuur.'

De biograaf, schreef Martin van Amerongen al eens, tracht de `ingevreten roest en vogeldrek' van het standbeeld van de gebiografeerde te verwijderen. Dat is wat Stam doet, en wel met verve. Hij schetst een liefdevol en toch objectiverend beeld van een Groningse jongen die hartstochtelijke maar ouwelijke brieven schrijft ten bate van een kansloze liefde. Al op jonge leeftijd componeerde Dopper hemelbestormende opera's, maakte concerttournees door de Verenigde Staten en zo meer. Stam beschrijft feitelijk de ontwikkeling van een matig begiftigd musicus die zijn talenten ten volle exploiteert. En hij beschrijft dit proces met evenveel oog voor detail als met de nodige breedsprakigheid.

Het boek is uitgegeven door de Stichting Cornelis Dopper in Stadskanaal, de geboorteplaats van de componist. Hoewel het boek van buiten imposant oogt, ziet het binnenwerk er uit als een computeruitdraai met nota bene handgeschreven notenvoorbeelden. Het is jammer dat de stichting wel het belang van een uitgebreide biografie heeft ingezien, maar aan de presentatie te weinig aandacht heeft besteed (of heeft kùnnen besteden).

In dat opzicht heeft een andere musicoloog, Jan ten Bokum, er verstandig aan gedaan zijn manuscript aan te bieden aan een echte uitgeverij (Walburg Pers). Ten Bokum voltooide onlangs een studie over leven en werk van de componist Jan Willem Frans Brandts Buys (1868-1933). Hij was een tijdgenoot van Dopper, maar de naam Dopper komt welgeteld één keer voor in het boek over deze Brandts Buys; omgekeerd is er helemaal geen referentie. Hetgeen illustreert hoezeer deze twee Nederlandse musici in hun eigen muzikale biotopen leefden. Met het Nederlandse muziekleven heeft Jan Brandts Buys op de keper beschouwd dan ook weinig van doen gehad. Deze telg uit een wijdvertakte muzikantenfamilie zocht zijn heil al op jonge leeftijd in het buitenland, Oostenrijk in het bijzonder. Daar werd hij een soort `internationale figuur' die Dopper volgens Pijper nooit is geworden, al wil dat niet zeggen dat Brandts Buys een echte internationale bekendheid werd.

Als componist maakte Brandts Buys furore met een aantal op Brahmsiaanse leest geschoeide symfonische werken, opera's waarvan Die Schneider von Schönau nog steeds de bekendste is en uitstekende werken voor meer intieme bezettingen, muziek waarvoor vooraanstaande uitvoerders en uitgevers belangstelling toonden. In de Weense pers werd Brandts Buys met recht en rede afgeschilderd als een `Altmeister', als een in wezen terugblikkend kunstenaar. Dat hij een suite voor strijkkwartet `im alten Stil' componeerde is veelzeggend.

Brandts Buys was desalniettemin een uiterst ambachtelijk componist (en arrangeur), zo blijkt eens te meer uit de werk- en stijlanalyses die Ten Bokum presenteert. Deze zijn, anders dan bij het boek over Dopper, niet vervlochten tussen de biografische lotgevallen, maar hebben een eigen (en forse) plaats in het boek toebedeeld gekregen. In zijn studie over Brandts Buys bewijst Ten Bokum vooral een analyserend didacticus te zijn en wat minder een bevlogen biograaf. Waar het hem eerst en vooral om lijkt te gaan is de muziek; de levensfeiten vormen slechts de formele encadrering van het compositorische werk. Een op zichzelf begrijpelijk en te waarderen uitgangspunt, maar daarmee loopt zijn studie wel het gevaar een musicologisch onderonsje te blijven.

Jaap Stam: Schitteren op de tweede rang. Cornelis Dopper (1870-1939) zijn leven, werk en wereld. Stichting Cornelis Dopper (Stadskanaal), 571 blz. €67,50

Jan ten Bokum: Jan Brandts Buys. Componist 1868-1933. Een Nederlander in Oostenrijk. Walburg Pers, 336 blz. €29,95