De dichter is een spuugbeestje

Na zijn romandebuut De zeemeermin publiceerde Paul Marijnis in 1998 zijn eerste dichtbundel, Gillette. Daarin bleek hij een verrassend ouderwetse dichter die, in het spoor van Cats, puntige emblemata neerzette. Maar de prentjes en prevelementjes die van Alciatus tot en met Jan Luyken het zinnebeeld in de poëzie beheersten, ontbraken bij Marijnis. Geen plaatjes, geen moraal, maar een sterk definiërend taalgebruik maakte de beste verzen in Gillette tot heldere iconen van fauna, flora en de dingen van alledag.

Gillette kreeg een nominatie voor de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. Marijnis leek mij de grootste kanshebber, maar de jury koos voor de andere kant van het poëtische spectrum en bekroonde Ilja Leonard Pfeijffer. Ten onrechte meldt De Arbeiderspers nu op de achterflap van Marijnis' tweede bundel, Roze zoenen, dat Gillette ook voor de VSB Poëzieprijs was genomineerd. Daarvan was en is geen sprake, maar inmiddels heeft Marijnis wel de J.C. Bloemprijs gewonnen.

In Roze zoenen trakteert hij de lezer opnieuw op sterk visuele, hecht geformuleerde iconen, en weer is de natuur een belangrijke inspiratiebron. In zeker tweederde van zijn bundel beschrijft hij het karakter van vogels, insecten en zoog- en zeedieren. De karakterisering is doorgaans raak, vaak ook heftig, maar het effect zit vooral in het persoonlijk commentaar dat als subtekst in de verzen meelift of uit de slotregel springt. Dat commentaar heeft een bij uitstek sombere ondertoon, zoals in `Zebra':

In Nederland wordt over hem gelopen.

Bij Beardsley is hij visioen van paard.

Dit dwarse dier heeft zijn geheimschrift goed bewaard:

kalligrafie van kop tot poten.

De kudde is een boek in gracieus, onleesbaar schrift.

Wie afdwaalt, schrijft zijn eigen doodsbericht.

Dit gedicht, hoe lichtvoetig ook gemonteerd, is allerminst vervrolijkend. `Light verse' kun je deze poëzie dan ook niet noemen. En helemaal niet waar Marijnis zijn persoonlijke woede of ontgoocheling verwoordt, zoals in `Spuugbeestje'. Daarin typeert hij het halfvleugelige insect Philaenus spumarius in de slotregels als `een bleekgroen beestje dat zijn heil/ – als ik – zoekt in poëtica van lucht en kwijl'. Natuur en poëzie worden quasi-luchtig met hetzelfde botte mes geschoren; de dichter toont zich honend als evenbeeld van het spuugbeestje. Paul Marijnis heeft dan ook duidelijk geen hoge pet op van het dichterschap. Lees `Dichter':

Woont in een boom. Heeft heel wat te vertellen

maar is totaal verstoken van publiek.

Verwaaide vogel, die geen ei kan leggen.

Gebrek aan hoorders maakt hem stiekem ziek.

Ten slotte valt hij kraaiend van zijn tak

en breekt zijn nek, een prooi voor prozadieren.

Vossen en raven kan hij nog plezieren:

nooit aten zij een aas dat zo mooi sprak.

Hoe dik is de grenslijn tussen zelfspot en zelfhaat? Wie na lezing van `Dichter' de pagina omslaat, belandt onverwachts in een poëtisch landschap van angst, pijn en woede. Het laatste tiental pagina's van Roze zoenen toont het ware gemoed van de dichter. De titels kondigen het openlijk aan: `Endegeest', `Dogmatil', `Psychiater', `Woede', `Onthoofding', `Guillotine'. Tussen retorten en fiolen geeft de dichter hier lucht aan zijn somberheden. Woede bruist als `brandende champagne' in hem op. Zijn hoofd beschrijft hij als een `ziedende pot en scheurend web', en het speelgoed van zijn kindertijd hijst de bloedvlag op `het slagveld van de nacht'.

De naar buiten gerichte blik in de eerdere verzen is mij dierbaarder. Puntig rijm is geen genre voor innerlijke verkenningstochten, maar een raamwerk voor lachspiegels. Marijnis beseft dat, denk ik, als hij het nijlpaard neerzet als `Een driftkop deinend in het eigen water: een slechte dichter, drijvend in zijn bier'. De verdoemenis wordt dan niet letterlijk verwoord maar gesuggereerd. Niet Marijnis' emoties spreken, maar zijn beelden. Dat gebeurde eerder volop in Gillette, en dat maakte die bundel tot een verrassend debuut. Spleen en de techniek van het `light verse' balanceerden in een spannend evenwicht. In Roze zoenen valt dat evenwicht in de laatste verzen aan emotie ten prooi.

Paul Marijnis: Roze zoenen. De Arbeiderspers, 65 blz. €16,95