De decors van iedereen

Op de tentoonstelling `Het ontstaan der dingen' zijn half vergeten gebruiksvoorwerpen bijeengebracht: het collectief van alles wat je overslaat.

Een vriend zegt dat hij bij een ijzerwinkel net een Bahco-sleutel heeft gekocht. Het klinkt heel vertrouwd en toch weet je niet meer hoe het ding eruitziet. Vermoedelijk hoort het bij de verdwenen schatten van de jeugd, als een granaatscherf, de strip over een luchtballon bij Haust-beschuit of een fiets met drie versnellingen, Sturmey Archer, als ik het goed heb.

Treiterig langzaam haalt hij de Bahco uit zijn zak en geeft hem aan mij. Het is een eenvoudig instrument, zo lang als mijn handpalm, met een duidelijke functie. Je laat een moer of een schroef in de opening glijden en nu draai je met je duim een van de twee puntige zijkanten in de gewenste stand. Dat de sleutel nog altijd in de handel is, made in Sweden, een onvergankelijk ontwerp. Slank in de hand, geen enkel overbodig uitsteeksel.

Ik draai een moer vast en meteen daarna schiet hij los. Er is nauwelijks kracht voor nodig. Het was niet de enige verdienste van de Bahco-sleutel. Het bezit zelf, daar ging het om, dat je met iets eenvoudigs de macht had allerlei moeren en schroeven de baas te kunnen worden. Je hoefde het niet echt te doen.

Zo moet ook het woord Bahco in mijn geheugen zijn achtergebleven, los van de sleutel zelf, als een klank waarmee je een omgeving verovert.

Een paar dagen later sta ik in het vernieuwde Museum Boijmans Van Beuningen tegenover een kast van de ontwerper Kho Liang Ie (1927-1975). Hij is van aluminium met polyester rolwanden, ribbels waar je lekker vlug met je vingers overheen ritst. De kast, licht van kleur, komt me bekend voor. Ik moet hem eerder hebben gezien. Op vele plekken misschien, als onderdeel van je omgeving, zonder dat je speciaal op hem hebt gelet en toch wordt zo'n kast in je geheugen opgenomen.

De kast uit 1970 maakt deel uit van de tentoonstelling Het ontstaan der dingen, een stuk of dertig ontwerpen in één zaal. Onmogelijk dat ik hem eerder heb gezien. Hij hoort bij een veel groter systeem, nooit in productie genomen, dat lees ik nu pas. Kho wilde het interieur van een alleenstaande, een bed, tafel, stoelen en wat al niet, in verplaatsbare kasten opbergen, met als einddoel aparte plekken voor zitten, slapen, eten en werken.

Het prototype van de kast kan me bekend voorkomen door andere interieurs van Kho, op de luchthaven Schiphol of in het Rotterdamse Lijnbaan Theater, die twee worden in het bij de expositie verschenen boek genoemd. Resten daarvan hechten zich misschien aan de kast.

Regendruppel

Even verder in het Boijmans staat een flesje Joy, een ontwerp van G. Kiljan, uit 1948. Binnen de museummuren wordt zo'n ding meestal te nietig, mis je de alledaagse omgeving die het aan het oog hoort te onttrekken. Met grote ernst hebben de samenstellers dit bezwaar opgeheven. Nu ze de houten modellen van het flesje laten zien, compleet met de nerven bij het etiket, lijkt het of je van het geringste een blauwdruk kunt maken, de eerste schets van een regendruppel of een streep in het zand.

Het duurt maar even. Als je het flesje de rug toekeert, valt het terug in het collectief van alles wat je overslaat. Dit geldt niet alleen voor de ontwerpen uit een al tamelijk ver verleden. De elektrische schrijfmachine die Marco Bellini in de jaren 1985-1987 voor Olivetti maakte, blijft een halfvergeten rekwisiet, net als de Bahco-sleutel, de kast van Kho en het flesje Joy. De hellende lijnen, de blauwe vlakken en de gele knoppen mogen hier nog zo schitteren, ze zijn bestemd weer ten onder te gaan in het domein van het gebruiksvoorwerp dat nauwelijks wordt bekeken. Je denkt niet meer dat het door iemand is gemaakt, het is er altijd geweest, als een hamer of een potlood.

Sommige ontwerpen zijn werkelijk anoniem. Je ziet de paperclip, een ontwerp uit de tweede helft van de negentiende eeuw, waarop een Amerikaan in 1899 patent aanvroeg. Het is onbekend wie het ding werkelijk ontwierp. Misschien ontstond het wel op verschillende plekken tegelijk en dacht niemand er in het begin aan dat het zin had zo'n algemene vondst vast te leggen.

Ook van het Odol-flesje kent men de maker niet. Het mondwater werd in 1892 voor het eerst gefabriceerd door het Dresdner Chemische Laboratorium van Karl Linger. Het witte flesje met het lichtblauwe etiket en de horizontale tuit werd pas in 1907 gepatenteerd, zonder de ontwerper erbij te noemen, al werd het ten slotte aan Linger (1861-1916) zelf toegeschreven. Duizenden malen moet je het hebben gezien en niet alleen op de plank bij de apotheek. Waar dan nog meer?

In Het ontstaan der dingen, het boek bij de expositie, lees je dat er met Odol niet alleen in kranten en bladen werd geadverteerd. Het flesje stond ook op Zeppelins en het werd op gevels geschilderd. Blinde muren, daar moet je het van kennen, reusachtige oppervlaktes, waar het tientallen jaren op stond. Je zag het vanuit de trein – waar in vredesnaam, geen idee – tot het was verbleekt, als de woorden Saint Raphaël en Quinquina op Franse muren, zonder dat je die dranken ooit had geproefd.

Hoe concreet ze ook zijn, er schuilt een eigenaardige abstractie in de geëxposeerde dingen. De paperclip, het flesje Odol, de schelp van Shell, de jurken van John Galliano of het alfabet van Wim Crouwel, ze zijn in Rotterdam losgehaald uit hun natuurlijke omgeving. Het gaat niet alleen om de eventuele schoonheid van het ontwerp. Het is eerder of je tegen de rekwisieten en decors van je eigen leven aankijkt, zoals je op een veiling ineens de zwarte jurk van Marilyn Monroe uit Some Like it Hot ziet, ze draagt hem als ze `Runnin' Wild' zingt, met ukelele, in de trein, of als je blik, op het terrein van Universal Studios in Los Angeles, ineens langs de gevel van het huis uit Hitchcocks Psycho schampt.

Dezelfde sensatie, maar dan persoonlijker en dichterbij. In Rotterdam brengen de dingen je geheugen in kaart, voorzichtig en schuchter, in een gedempt licht. De meest recente ontwerpen zijn niet alleen vernieuwend in hun extreme vorm. Ze laten ook zien wat over korte tijd algemeen wordt. Dan krijgt het ding een plaats in het schemerige eind van een gang. Op zolders wordt het vergeten, in woonkamers door kussens en speelgoed bedekt. Op geen aandacht mag het rekenen in de weerbarstige ruimte van een congresgebouw of een vliegveld. Ten onder gaat het, in de decors van iedereen.

Tastzin

De tastzin, misschien is dat het belangrijkste zintuig op Het ontstaan der dingen. In zekere zin is die buitenspel gezet, je raakt niets aan en toch kromt je hand zich bij het flesje Joy, is het moeilijk niet te gaan zitten op de allerlichtste Air Chair van Jasper Morrison. Ingehouden beweeglijkheid, terugkeer van een vergeten aanraking.

In Museum Boijmans was het tot voor kort altijd tien over half drie 's middags, dat hopeloze tijdstip waarop nooit iets kan gebeuren. Zelfs in de lente was het licht hier oud. Nu spettert het naar binnen als ik door een lange gang naar het Paviljoen Van Beuningen-De Vriese loop. Vanuit het restaurant zie je dat het gras, aan weerszijden van de fontein, is bezaaid met zilveren kogels, aangenaam slordig, zonder plan.

Beneden, onder het restaurant, zijn de potten en pannen uitgestald, aardewerk en ijzer. Na een vlugge blik wil je doorlopen, nee, wacht, in een royale vitrine wordt iets afwijkends getoond.

Dit keukengerei is van aluminium, niets bijzonders, dat zie je overal. Als je beter kijkt, zie je dat het licht gebutste metaal op een wel heel afwijkende manier is aangeraakt. In een welving herken je de frêle lijnen van een buik, het kan niet anders, dat moet de navel zijn. Een andere pan heeft zich vermengd met de aanzet van een borst, net of een anonieme koperslager het lijf van z'n geliefde in het simpelste ontwerp liet opgaan.

In de kasten en vitrines tegen de muur zie je steelpannen, schalen, koekenpannen, ketels en ander keukengerei uit zeven eeuwen, met af en toe, daartussen, weer zo'n aluminium pan. Hier zijn de lijnen van het lichaam nog terughoudender in het metaal opgegaan, is het werkelijk een eenheid geworden. Wie achter zo'n schaal gaat zitten, eet van een lijf.

Pas dan lees ik dat het aluminium is ontworpen door de Rotterdamse beeldhouwer George Belzer. De plaatsing van zijn potten en pannen tussen die eeuwenoude collega's, het is zijn idee. En nu is al dat ijzer en aardewerk niet meer alleen. De scherfjes, de barsten, de breuken, overal zie je de plekken waar het is vastgehouden, de handen vol voedsel, je telt ze erbij op, besmeurde kleren, ze zijn niet ver meer, een keuken van zevenhonderd jaar wordt door Belzer met soms tedere en dan weer breugeliaanse potten en pannen tot leven gewekt.

George Belzer en de levensloop der dingen, zo heet deze verscholen expositie, die bijna moeite doet niet op te vallen, net of de terloopse aanraking beschut moet blijven. Een verdieping hoger zie je de dingen ontstaan, wordt de tastzin van je hele lijf aangesproken, steeds weer, zie je de terloopse decors vanwaar je eens bent geweest of nog zal komen.

`Het ontstaan der dingen'. T/m 27 juli in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u. Catalogus €27,50