Alleen macht kan ons redden

Nu de vorming van het tweede kabinet-Balkenende mede dankzij D66 op een oor na gevild is en het verwijt klinkt dat de Democraten verraad aan hun progressieve partners hebben gepleegd en kiezers voor de gek hebben gehouden, is het dienstig na te lezen wat lijsttrekker De Graaf vorig najaar daarover zei. Namelijk, 1 november 2002 bij de presentatie van het verkiezingspamflet van de Democraten: ,,Wij gaan onafhankelijk de verkiezingen in en sluiten geen enkele samenwerking uit.'' Op vragen van journalisten bevestigde De Graaf dat dit ook gold voor een mogelijke coalitie met CDA en VVD. Wat niet wegneemt dat De Graaf en zijn opvolger als fractieleider, Dittrich, na de laatste verkiezingen aanvankelijk een, toen nog heel onwaarschijnlijke, coalitie met die twee partijen afwezen. Zoals zij voor en na die verkiezingen verzekerden dat D66 niet zou meewerken aan uitvoering van het Strategisch Akkoord van het eerste kabinet-Balkenende.

Dit en veel meer over de inmiddels 37-jarige geschiedenis van D66 is te lezen in het lijvige proefschrift Tussen ideaal en illusie, waarop de 30-jarige politicoloog M.S. van der Land vorige week in Amsterdam is gepromoveerd. Van der Land, lid van D66, heeft zijn proefschrift januari 2003 afgesloten. Dat wil zeggen: hij kende de voor D66 verdrietige uitslag van de Kamerverkiezingen van 22 januari wel, maar kon nog niet weten dat de formatie van een kabinet van CDA en PvdA zou gaan mislukken. Daarom is het interessant weer te geven wat hij laat volgen op de positiebepaling van De Graaf van hierboven. Namelijk: `[...] Toch is de deur naar een coalitie met CDA en VVD op een kier gezet. [...] De Graaf mag dan niet met de waan van de dag willen meewaaien, maar als CDA en VVD bij de verkiezingen net geen meerderheid halen, kan D66 wellicht een rol spelen. En van D66 een machtsfactor maken lijkt de enige manier om kiezers weer oog voor de partij te laten krijgen.'

Argwaan

In zekere zin biedt het verloop van de jongste kabinetsformatie mede door de linkse verwijten aan D66 een nieuwe illustratie van de steeds tussen argwaan en genegenheid wisselende verhouding tussen de Democraten en de PvdA. Een relatie waarin D66 in het spoor van haar vele ups en downs nu eens begeerd en gevreesd en dan weer gebagatelliseerd wordt. Nadat midden jaren zestig het einde van de naoorlogse politieke en maatschappelijke restauratie komt en de ontzuiling en deconfessionalisering snel aan vaart winnen, zijn de val van het kortstondige centrum-linkse kabinet-Cals (1966) en de vorming van een derde kabinet op basis van dezelfde verkiezingsuitslag een belangrijk motief voor het ontstaan van wat dan nog D'66 heet. Een groep jonge, vooral Amsterdamse intellectuelen wil politiek en samenleving krachtig democratiseren. Belangrijk punt voor mensen als Van Mierlo, de van de VVD overgekomen Hans Gruijters, journalisten van het Algemeen Handelsblad, hun Parool-collega Eric Visser, de wetenschapper Peter Baehr en anderen is vooral het vergroten van de invloed van de burger op de samenstelling van het kabinet, van bestuursorganen in het algemeen. De gekozen premier en de invoering van een districtenstelsel vormen dan ook een speerpunt in hun oorlogsverklaring aan het bestel, dat wat D'66 betreft moet ontploffen.

De eerste score – zeven zetels in de Kamerverkiezingen van 1967 – is heel mooi. In de jaren die volgen houdt het succes aan, in 1971 springt de partij naar elf zetels. Maar tegelijkertijd doen zich twee andere ontwikkelingen voor. Bij Van Mierlo en medestanders groeit het besef dat D'66 alleen niet in staat zal zijn om uit haar excentrische positie het politieke bestel te laten ontploffen. Bij andere partijen groeit intussen naijver en vrees over wat die jongelui met hun protestpartij aan aandacht weten te krijgen. ARP-leider en premier Biesheuvel noemt D'66 een `onnationale partij', de nieuwe PvdA-chef, Den Uyl, begint avances te maken. Van Mierlo, persoonlijk bevriend geraakt met Den Uyl, sleurt zijn gedeeltelijk onwillige partijgenoten mee in wat `een krankzinnig avontuur' gaat heten. En wel naar een progressieve samenwerking die de naam Progressieve Volkspartij (PVP) moest krijgen en die de kiezer een heldere tweedeling in een links en een rechts blok moest brengen. Moest, want het ging uiteindelijk natuurlijk niet door. D'66 raakte in de ogen van de kiezers haar eigen identiteit kwijt, verloor vijf zetels in 1972, werd even later (1973) vrij onzichtbaar in het kabinet-Den Uyl.

Engwirda

Exit Van Mierlo. De PVP was intussen door de PvdA aan een prenataal einde geholpen. D'66 hief zichzelf op, maar deed dat (in 1974) met een meerderheid die statutair niet groot genoeg was. Dankzij de statuten kon de partij na een paar jaar tobben als `vierde stroming' onder Jan Terlouw begin jaren tachtig weer opbloeien als `redelijk alternatief' (met 17 zetels in 1981!) om vervolgens weer nagenoeg geheel te bezwijken als regeringspartij in het korte tweede kabinet-Van Agt. Terlouw vertrekt teleurgesteld, de partij hinkt een paar jaar beschadigd verder onder een brave substituut-leider zonder veel uitstraling: Engwirda. En wordt midden jaren tachtig weer wakker gekust door Van Mierlo, die haar groot laat groeien in de oppositie en haar in 1994 met 24 zetels tussen PvdA en VVD het `Hart van paars' laat worden. De politieke cardioloog volgt het met zorg, hij kent de patiënt en weet wat die als regeringspartij veelal doormaakt. In 1998 resteren nog 14 zetels, in 2002 nog 7, in 2003 nog 6. De Engwirda van vandaag heet Dittrich. Die heeft een nieuwe, gedurfde keus gemaakt door een centrum-rechts kabinet in het zadel te helpen. Nu nog een leider die past in een rijtje met Van Mierlo en Terlouw, dan zou de zoveelste renaissance van D66 wellicht ook kunnen beginnen.

Van der Land vertelt nauwkeurig na wat er in die 37 jaar alzo is voorgevallen, vaak notuleert hij ook precies het enigszins modieuze gezever op de vierkante millimeter waarin D66'ers nogal eens excelleren. Het boek had, gelet op flink wat tik- en taalfouten, beter nagelezen mogen worden. En waar de auteur zoveel belangstelling voor (en kennis van) politieke geschiedenis heeft, zou meer nauwkeurigheid in zijn staatkundige terminologie niet hebben misstaan (we hebben bijvoorbeeld nooit een regering-Den Uyl of een regering-Van Agt gehad, wel kabinetten van die naam). Maar toch, wie deze 500 pagina's heeft doorgewerkt, weet hoe en waarom D66 haar grillige weg van protestpartij naar het links-liberale deel van het politieke establishment ging en begrijpt in elk geval vrij goed waarom Dittrich de afgelopen weken niet steeds verbleekte onder de linkse kritiek op zijn partij. Verraad? D66 zou nauwelijks weten hoe dat moet, misschien is dat het hem nu juist.

M.S. van der Land: Tussen ideaal en illusie. De geschiedenis van D66, 1966-2003. Sdu, 512 blz. €30,–