Zalm verschiet van kleur

De last van de bezuinigingen wordt onevenredig zwaar afgewenteld op de huidige generatie werkenden, vinden Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Gerrit Zalm gaat z'n volgende toekomst tegemoet – als minister van Financiën en vice-premier in het kabinet-Balkenende II. Zo heeft de kabinetsformatie op de valreep nog een kleine verrassing opgeleverd. Via de ondertekening van het regeerakkoord zal Zalm immers van financieel-economische kleur verschieten.

Natuurlijk: van financiële zuinigheid hebben hij en zijn partij altijd gehouden. Wat dat betreft, blijft het VVD-imago intact: tering naar de nering zetten, het huishoudboekje sluitend maken, broekriem aanhalen, geen volgende generaties belasten – dat werk. Is dat imago terecht?

Gerrit Zalm is in de paarse kabinetten groot geworden wegens de invoering van de veelgeroemde Zalm-norm. Met de handhaving van deze zuinige norm heeft hij het beeld opgeroepen van een trouwe kasbeheerder: geef niet meer uit dan erin komt. Leuke dingen doen voor de mensen mag alleen als daarvoor binnen strakke uitgavennormen genoeg geld beschikbaar is. Daarmee kon menige vakminister aan de leiband worden gehouden. En het leek te werken. In de jubeljaren negentig is immers uiteindelijk zelfs een paar keer sprake geweest van een financieringsoverschot op de rekening van 's Rijks Financiën. Bijna niemand dacht dat dit na decennia van tekorten nog kon.

Helaas: inmiddels is duidelijk geworden dat de Zalm-norm hetzelfde lot is beschoren als al die andere normen. Net als de Duisenberg- en Zijlstra-norm sterft de Zalm-norm, door voortschrijdend inzicht en veranderde economische omstandigheden, een stille dood. Blijkbaar leeft in CDA-, D66- en VVD-kringen de gedachte dat de Zalm-norm alleen in goede tijden bestaansrecht heeft. In de huidige tijden van laagconjunctuur moet zwaar worden bezuinigd om het financieringstekort terug te brengen naar 0,5 procent van het bruto binnenlands product binnen een periode van vier jaar. Daarbovenop komt de angst voor de vergrijzing, waardoor na 2020 het aantal werkenden dat de pensioenen moet opbrengen in rap tempo afneemt.

De idee-fixe dat de staatsschuld binnen een generatie moet worden afgelost – en ergo: dat in hoog tempo naar begrotingsoverschotten moet worden toegewerkt – is hierdoor in coalitiekringen dermate dominant geworden dat naar de bijl van de beul wordt gegrepen. Het instrument van de Zalm-norm is daarvoor te bot. Het van kleur verschieten van Zalm geeft aanleiding tot twee observaties.

Allereerst wordt impliciet erkend dat in de ogen van de coalitiegenoten in de paarse feestjaren te weinig is bezuinigd. Immers: indien indertijd grotere begrotingstekorten zouden zijn opgebouwd, was het vandaag veel beter gesteld geweest met de omvang van de staatsschuld, zodat met een aanmerkelijk gematigder bezuinigingsbeleid zou kunnen worden volstaan. De Zalm-norm werkte vooral goed in de tijd dat nog over het wonder van de Nieuwe Economie werd gesproken, en voor het gemak de groei tot in het oneindige werd geëxtrapoleerd. In een dergelijk scenario is de vergrijzing hooguit een klein probleempje.

In de tweede plaats is het gevolg van deze `weg-met-de-staatsschuld'-dwanggedachte dat procyclisch begrotingsbeleid wordt gevoerd. Omdat in het decennium van economische voorspoed geen financiële buffer voor magere jaren is opgebouwd, gaat in deze moeilijke tijden van economische tegenwind de overheid op de rem staan. Dat is slecht nieuws. De Nederlandse economie is samen met Duitsland zo ongeveer de zwakste leerling in de EU-klas. Formeel is inmiddels sprake van een recessie: al twee kwartalen krimpt de economie. De combinatie van loonmatiging en (pensioen)premiestijging gaat gepaard met een dalend besteedbaar inkomen. Alsof dat nog niet genoeg is, besluit het nieuwe kabinet om via draconische bezuinigingen de (overheids)bestedingen ook nog eens terug te dringen. Welke gedachtegang ligt hieraan ten grondslag?

De eerste interpretatie is dat het CDA-D66-VVD-trojka oprecht in de ban is van de staatsschuldfobie. Wegens het onstuitbare proces van vergrijzing moet de staatsschuld binnen één generatie worden afgelost. De last hiervan wordt hierdoor onevenredig zwaar afgewenteld op de huidige generatie werkenden. Klaarblijkelijk wordt het onwenselijk gevonden dat toekomstige generaties een deel van deze last dragen, hoewel de huidige generatie investeert in toekomstige welvaart. Deze obsessie met de staatsschuld heeft tot gevolg dat een vicieuze cirkel in gang wordt gezet. Door een radicale bezuinigingskoers te varen wordt de groei van de economie verder beperkt – of erger nog: de krimp verder vergroot. Daarmee wordt de staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands product alleen maar groter.

In reactie daarop moeten de bezuinigingsplannen straks natuurlijk weer verder worden aangescherpt. Voor investeringen in het groeipotentieel van de samenleving wordt steeds minder ruimte vrijgemaakt. In de sfeer van uitgaven aan onderzoek, ontwikkeling en onderwijs zit Nederland sinds jaar en dag in de lift naar beneden. Nog een verdieping lager valt misschien niet op. De regeringsezel stoot zich weer aan dezelfde steen: de huidige (negatieve) groei wordt voor het gemak tot in het oneindige doorgetrokken, en het beleid wordt hierop afgestemd.

Het IMF heeft vorig jaar in een studie ten aanzien van conjunctuurcycli laten zien dat het geloof in eeuwigdurende groei in de jaren negentig van de vorige eeuw erg onverstandig was. Een groeiperiode duurt gemiddeld zo'n vier jaar. Dezelfde studie toont aan dat extrapolatie van de huidige laagconjunctuur gedurende de gehele kabinetsperiode ook weer overdreven is. Normaal gesproken trekt de conjunctuur in Nederland na circa 2,5 jaar weer aan. Bovendien zou het kabinet juist een meer anticyclisch begrotingsbeleid moeten voeren door te doen wat het niet van plan is, zodat de weg omhoog weer wordt gevonden. Met een anticyclisch begrotingsbeleid en investeringen in de samenleving kan worden gewerkt aan een verbetering van de noemer in de staatsschuldratio: een hogere groei.

Dat deze argumentatie alleen in de periferie van de vaderlandse politiek op bijval kan rekenen, doet vermoeden dat een tweede uitleg niet mag worden uitgesloten: politiek Den Haag is misschien van mening dat de Nederlandse staat te groot is. Daardoor is de lastendruk altíjd te hoog, en is de ruimte voor het efficiëntere en effectievere bedrijfsleven te klein. Een versnelde aflossing van de staatsschuld dwingt de overheid fors het mes in eigen vlees te zetten. Het private bedrijfsleven kan vervolgens de gaten opvullen. Gelukkig kan nog van alles en nog wat worden geprivatiseerd. Een logische vervolgstap is bijvoorbeeld om grote delen van het onderwijs en de zorg via marktwerking te organiseren.

Als déze gedachtegang ten grondslag ligt aan de huidige bezuinigingswoede, is het hoog tijd hierover een referendum te houden. Dat levert meteen een zoethoudertje voor coalitiegenoot D66 op. Het resultaat zal immers een samenleving zijn die wezenlijk verschilt van de huidige. Het is niet meer dan rechtvaardig om degenen die in een dergelijke samenleving moeten leven, daarover een beslissing te laten nemen.

Steven Brakman is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en de Katholieke Universiteit Nijmegen; Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de University of Durham (Groot-Brittannië) en aan de RUG.

www.nrc.nl/discussie Had Zalm niet eerder moeten bezuinigen?

Gerectificeerd

Begroting

In het artikel Zalm verschiet van kleur (22 mei, pagina 9) wordt betoogd dat de economie er nu beter voor had gestaan als in de paarse feestjaren grotere begrotingstekorten waren opgebouwd. Bedoeld zijn begrotingsoverschotten.