Stop met fixatie op `groot' en `klein' in Europa

Nederland dreigt te snel met een veto over de voorstellen in de Europese Conventie. Nog even verstandig dooronderhandelen, en er komen gunstige formuleringen uit de bus, verwacht E.P. Wellenstein.

De koers die de Europese Conventie over de toekomst van de Europese Unie is ingeslagen, zou Nederland met trots moeten vervullen. Niet alleen doordat in de voorliggende teksten veel staat dat in de richting gaat die door ons land is bepleit – zoals een eenvormige wetgevingsprocedure in de volle openbaarheid en een rol van het Europese hof in Europese zaken van politie en justitie. De richting van de Conventie sluit vooral nauw aan bij wat ons land meer dan tien jaar geleden (op `zwarte maandag') zonder succes bepleitte: het afschaffen van de `pijlerstructuur' van de Europese verdragen, en het zover mogelijk doorvoeren van de `communautaire methode'.

Volgens die methode doet een sterke, democratisch gefundeerde onafhankelijke Europese Commissie de voorstellen, en nemen de nationale ministers met gekwalificeerde meerderheid de besluiten; in het geval van Europese wetgeving heeft het Europese Parlement mede-beslissingsbevoegdheid, en de Commissie is politiek aan dat parlement verantwoording schuldig voor haar beleid. J.L. Heldring noemde dit onlangs terecht ,,een fraaie constructie, één van de grootste prestaties van naoorlogs Europa'' (Opiniepagina, 15 mei).

In deze constructie zijn de lidstaten gelijkwaardig (allen doen volop mee), maar geenszins gelijk: de `groten' hebben meer stemmen in de Raden van ministers, en meer leden in het Parlement. Tot nu toe hebben zij ook twee leden van hun nationaliteit in de Commissie, en de `kleinen' maar één; dat betekent in de praktijk overigens helemaal niet dat die twee leden van dezelfde nationaliteit altijd gelijk stemmen.

De leden van de Commissie moeten dan ook – hun ambtseed luidt zo – geheel onafhankelijk, in het belang van de Unie als geheel, hun positie bepalen. In zo'n systeem kunnen de kleinen niet worden gemarginaliseerd, zoals in een klassieke intergouvernementele structuur al gauw gebeurt.

Maar het is onverstandig om met een toenemend aantal `kleinen' (19 op de 25, na de komende uitbreiding) te pogen de groten in de marge te drukken, zoals zou gebeuren indien na de uitbreiding een Commissie van één lid per lidstaat (drie keer zoveel uit kleine als uit grote) het monopolie van politieke voorstellen zou uitoefenen. De Benelux is zo verstandig geweest om voor te stellen de Commissie maximaal slechts vijftien stemhebbende leden te laten tellen; een gelijk aantal commissarissen uit andere landen zou zonder stemrecht aan de beraadslagingen deelnemen.

Opmerkelijk is de overeenstemming tussen dit Beneluxvoorstel en de jongste tekst van het presidium, al zal over het rouleersysteem van de Commissarissen nog het nodige te doen zijn. Opmerkelijk ook is het voorstel van het presidium voor de meerderheidsstemmingen in de Raad van ministers, een formule die op de EU-top in Nice door Frankrijk nog onaanvaardbaar was verklaard: een meerderheid van de lidstaten, die samen ten minste drie vijfden van de totale uniebevolking vertegenwoordigen – weer conform wat de Benelux wil.

De aandacht in Nederland is daarentegen in hoofdzaak uitgegaan naar iets heel anders. De summiere passages in het regeerakkoord over zaken buiten de polder noemen als eerste Europese aandachtspunt: streven naar het behoud van de gelijkwaardigheid van de lidstaten van de Europese Unie. De politieke discussie in ons land over de Conventie wekt soms de indruk dat daar één grote veldslag tussen grote en kleine lidstaten uitgevochten wordt. Max Kohnstamm en Guillaume Durand hebben over deze vertekening van de politieke werkelijkheid van de Unie op de Opiniepagina van 14 mei al wijze woorden geschreven.

Zo berust ook het idee dat de grote landen via een vaste voorzitter van de Europese Raad van regeringsleiders (daar richt de aandacht zich vrijwel uitsluitend op) de macht in handen zouden krijgen op een fictie: zeker waar het om de `grote politiek' gaat, is immers de eenheid tussen de groten ver te zoeken (en als zij het eens zouden zijn, zou dat waarschijnlijk voor Nederland, buitenlands-politiek gezien, een zeer aanvaardbare positie betreffen).

Het gevaar van het oorspronkelijke voorstel lag niet in dominantie van de `groten', maar in heilloze verwarring omdat die vaste voorzitter zich met alles zou moeten bemoeien (en bovendien al snel met de grote ego's van Blair, Chirac en Schröder, om van Aznar en Berlusconi nog niet te spreken, in aanvaring zou komen). In de jongste voorstellen is de `vaste' voorzitter van de Europese Raad al teruggebracht tot iemand uit het eigen midden, of een ex-collega, en is zijn enige taak naast het voorzitten het deelnemen aan topconferenties over buitenlandse politiek. Daar zullen de `groten' zelf hem wel in toom houden. Nog even verstandig onderhandelen, en de formuleringen worden aanvaardbaar. Nu met een veto dreigen, zoals in Nederland al is geopperd, berooft de Benelux van het nodige onderhandelingsgeld voor verder aanscherpen van de communautaire benadering, waarin – ook in de eigen Nederlandse standpunten – nog gaten zitten.

Vasthouden aan het rouleren van het voorzitterschap van de Europese Raad tussen alle lidstaten per zes maanden, waarop de Benelux zich lijkt te verstijven, heeft met 25 lidstaten weinig zin (men is eens in de twaalf-en-een-half jaar aan de beurt) en kent ook zijn risico's: onder die 25 zal er wel eens één minder stabiel en gewenst zijn. Het is ook meer een VN-formule (zo zit Libië nu de VN-mensenrechtencommissie voor) dan eigen aan de Europese structuren; voor de communautaire methode is het irrelevant wie de Raden voorzit (als het maar niet de voorzitter van de Europese Commissie is, zoals de Benelux voor de Algemene Raad bepleit, waarmee men diens onafhankelijkheid op het spel zet).

Het is hoog tijd dat de discussie in Nederland zich, voordat het te laat is om nog invloed uit te oefenen, verbreedt buiten de fixatie `groot-klein'.

Drs. E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal bij de Europese Gemeenschap.