Rookdilemma's

MET ALGEMENE STEMMEN heeft de Wereldgezondheidsorganisatie een kaderverdrag tegen het roken aangenomen. Dat eist wereldwijd een tol van naar schatting 4,9 miljoen mensenlevens per jaar – meer dan malaria en aids samen. Het verdrag verplicht de deelnemende landen tot maatregelen als beperking van tabaksreclame, vermelding van de ingrediënten op het etiket en forse waarschuwingen op de pakjes. Ook bevat het een aansporing de belasting op rookwaar te verhogen. De `Framework Convention on Tobacco Control' is met enige reden binnengehaald als een mijlpaal. De totstandkoming heeft vier jaar intensieve onderhandelingen gevergd. Dat is relatief snel voor zo'n project. Maar het is niet van een leien dakje gegaan. Tot het laatst bleef spannend of met name de Verenigde Staten de overeenkomst zouden tekenen. Deze vraag viel niet af te doen als weer een voorbeeld van de bekende aversie van de regering-Bush tegen internationale organisaties en internationale verdragen.

De VS belichamen een aantal spanningen die inherent zijn aan de tabaksregulering en waar alle landen op de een of andere manier mee te maken krijgen. Amerika is de thuishaven van de grootste tabaksexporteur ter wereld, Philip Morris. Het is ook het land van draconische rookverboden, laatstelijk nog in praktisch alle bars en restaurants van de wereldstad New York. Aan vergaande betuttelarij is ook aan deze zijde van de oceaan overigens geen gebrek. Het Europees Parlement heeft de regeringen opgeroepen chocoladesigaretten te verbieden. Het dreigende einde van een traditioneel sinterklaasgeschenk leidde in Nederland tot Kamervragen op rijm. Dit was toch niet ernstig bedoeld? Het antwoord was niet grappig: de regering staat achter een verbod. Op rijm, uiteraard.

Hoe ver kan de hypocrisie gaan? In New York zet burgemeester Bloomberg, naar verluidt zelf een afgekickte roker, ondanks alle gemor zijn kruistocht onverminderd voort. Maar deze moet natuurlijk niet echt slagen, want New York kan in fiancieel benarde tijden de fikse tabaksaccijns maar al te goed gebruiken. Er valt niet voorbij te gaan aan de omstandigheid dat roken als zodanig niet een verboden activiteit is. De Amerikaanse tabaksindustrie is met reden wél hard aangepakt over bedriegelijke voorpiegelingen aan de consument en het achterhouden van relevante informatie. Dat zijn inderdaad doodzonden. Maar ook hier is het beeld gespleten. Zojuist heeft een hof van beroep in Florida een civiele boete van 145 miljard dollar vernietigd die een jury bijna twee jaar geleden had opgelegd aan sigarettenfabrikanten. Dat zou hun bankroet kunnen betekenen – en dat vonden de beroepsrechters een te vergaande consequentie. De regeringen van de deelstaten waarmee de tabaksfabrikanten een megaschikking zijn aangegaan, kregen daarmee een eigen belang bij een levensvatbare bedrijfstak. Zij besteden de inkomsten ook niet aan het bestrijden van het roken, maar aan het dichten van hun begrotingen, signaleerde The New York Times eind vorig jaar.

De oplossing die de VS aanvankelijk voor zijn dilemma's zochten, bestond uit een `opt-out'-clausule in het WHO-verdrag. Daardoor zou het de aangesloten staten vrijstaan bepalingen die hun niet aanstaan te laten vallen. Door zo'n à la carte-formule stelt een verdrag al gauw niets voor. De oplossing kan beter worden gezocht in het verdrag. Het verdrag komt de deelnemende staten immers zelf al tegemoet. Zo is het verbod van tabaksreclame gebonden aan de voorwaarde dat de nationale grondwetten dit wel moet toestaan. Er bestaat inderdaad ook nog zoiets als vrijheid van meningsuiting. Deze staat toch al onder druk. Het Europese Hof van Justitie is al akkoord gegaan met een verbod van aanduidingen als `mild' en `light', ook als deze waar zouden zijn.

De VS hebben gelukkig alsnog afgezien van een `opt-out'-clausule. Dat zij het verdrag mede ondertekend hebben, zegt overigens nog niet dat zij het ook zullen ratificeren. De dilemma's zijn voorlopig niet verdwenen.