`Opvanghuizen zijn een verzamelplaats van veel maatschappelijke en mentale ellende.' Judith Wolf

Iedereen mag meepraten en alles gaat op de oude voet verder. Dat is het grappige en tegelijk beangstigende van Nederland. Kritiek en opmerkingen zijn welkom, als het bestuur er maar geen rekening mee hoeft te houden. Geen land beschikt over zoveel commissies, adviesorganen, consultatiebureaus, columnisten, strategen, critici en luidruchtige deskundigen – al hun woorden verdwijnen spoorloos in de vuilnisbak, de verstandigste woorden het snelst.

Misschien komt het door onze solide instituten. Misschien komt het door onze langdurige democratische tradities. Waarschijnlijk komt het door de arrogantie van onze bedisselzieke kaste.

Daarom luisteren de tienduizenden commissies, adviesorganen, consultatiebureaus, columnisten, strategen, critici en luidruchtige deskundigen ook nooit naar elkaar.

De ene beterweter heft de andere op.

De domste boer op gescheurde klompen kon voorspellen dat het welzijnswerk een karikatuur van zichzelf zou worden, een geldverslindende moloch waar we zo snel mogelijk af moesten, en toch danst het welzijnswerk fris en vrolijk voort. In Groningen, las ik onlangs, houden ze er op elke honderd daklozen zowat tweehonderd daklozenopvangers op na die voor de stakkers bingoavonden, videovertoningen en uitstapjes naar de Efteling verzorgen. Er zijn zelfs kamers met bad en tv beschikbaar, mits de dakloze zich overdag een minimumperiode als dakloze blijft voordoen. Anders komt de opvang in gevaar.

Lief land. Lief, lief land.

Bakermat van helden, wieg van de kunst.

IJskoud negeren we de karikatuur. Serieus stampt de moloch verder – tot de opvang zichzelf opvangt.

Omdat je bijzonder hoogleraar in de opvangkunde bent, Judith, mocht je in opdracht van het ministerie hier een onderzoek naar doen. En jawel. In opvanghuizen komt zoveel ellende samen dat de ellende nog het grootst blijkt voor de opvangers. Daar keek je van op, Judith. De tijd dat opvanghuizen volstroomden met gelukkige, gezonde, goedverdienende lieverdjes is voorbij. 't Werd een en al verbaal en fysiek geweld, en wie zijn de dupe? De opvangers. ,,Hulpverleners hebben iets met de groep mensen die ze opvangen'', rapporteer je moederlijk. ,,Dat zou eigenlijk meer gewaardeerd moeten worden.''

We schaffen de oorlog af, moedertje, de soldaten morren.

De personeelsleden van inloopcentra en crisisprojecten zijn de nieuwe slachtoffers, luidt je conclusie. Het komt, heb je universitair verantwoord uitgevonden, omdat mensen die maatschappelijke opvang zoeken bovengemiddeld veel maatschappelijke problemen hebben. 't Is een zootje ongeregeld dat zich meldt, eigenlijk, een menstype dat de handen te los heeft zitten. Er valt weinig aan te verbeteren, schijnt het. 't Wordt dus hoog tijd, adviseer je de regering, opvangers aan te stellen die de geteisterde opvangers opvangen. In blijf-van-m'n-lijfhuizen binnen de blijf-van-m'n-lijfhuizen. Je bent een bijzonder hoogleraar en dat ben je, Judith.

Is er al een bijzonder hoogleraarschap ingesteld ter bevordering van het bijzondere hoogleraarschap?