Iedereen is weg van Erik Andriesse

In een vitrine in een van de `wolhokken' van De Pont ligt een exemplaar van Van Gogh en zijn weg, een overzichtscatalogus, opengeslagen bij de titelpagina. Het was het exemplaar van Erik Andriesse. Dat is goed te zien, al staat zijn naam er niet bij: over de letters heen, pontificaal over twee pagina's, is een portret van een hond getekend, met eronder in krasserige letters `Igor 12 mei'. Het is een typische Andriesse: schijnbaar snel gemaakt, virtuoos getekend, in schetsmatige zwarte lijnen en met geel en oker ingekleurd. Er zit een mooie spanning in. De hond ligt er zo laveloos bij dat je begint te twijfelen of het beest slaapt of dood is.

Dat op deze tentoonstelling, een van de twee exposities die vorige week van het werk van Erik Andriesse (1957-1993) zijn geopend, juist Van Gogh opduikt is veelzeggend, want werk en carrière van Andriesse laten zich in veel opzichten spiegelen aan die van zijn beroemde voorganger. Zowel Van Gogh als Andriesse waren gefascineerd door de natuur, allebei waren ze virtuoos als tekenaar en schilder en allebei overleden ze op jonge leeftijd, Van Gogh op zijn 37ste, Andriesse zelfs nog twee jaar eerder. Al tijdens zijn leven moet Andriesse zich van de verwantschap bewust zijn geweest; dat blijkt niet alleen uit dat Van Gogh-boek, maar ook de vele natuurtaferelen, in het bijzonder zonnebloemen die hij schilderde. In De Pont culmineert dat in de prachtige tekening Tournesol: een zonnebloem tegen een donkerblauwe achtergrond, die zijn rug naar de toeschouwer heeft gedraaid. We zien slechts de groene achterkant, de bloemblaadjes steken er bovenuit als een goudglanzende nimbus.

Juist die omdraaiing van het klassieke Van Gogh-thema zegt veel over Andriesses positie als schilder in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hoe groot zijn bewondering voor Van Gogh vermoedelijk ook was, Andriesse zal maar al te goed hebben beseft dat de honderd jaar die hun levens scheidden hun omstandigheden onvergelijkbaar maakte. Waar Van Gogh met zijn schijnbaar achteloze schildertrant en felle kleuren behoorde tot een onbegrepen avant-garde, was de positie van Andriesse een eeuw later precies omgekeerd. In het midden van de jaren tachtig was de schilderkunst al vele malen doodverklaard, gold techniek als ondergeschikt aan de idee en was het schilderen van bloemen, schildpadden en schedels passé. Daar kwam nog eens bij dat Andriesse als een wonderkind was beschouwd. Hij had zijn eerste solo-expositie op zijn 15de en werd op zijn 22ste, zonder een academie te hebben bezocht, toegelaten op Ateliers '63. In andere tijden zou dat een vrijbrief voor een glanzende carrière zijn geweest, in die jaren was Andriesses technische virtuositeit enigszins verdacht.

Ongetwijfeld heeft Erik Andriesse zelf geworsteld met het gevoel de verkeerde kunstenaar in een verkeerde tijd te zijn, maar in zijn werk is daar niet veel van te merken, of het moet een zekere stuurloosheid in zijn vroegste tekeningen zijn. In het midden van de jaren tachtig vindt Andriesse daar echter een mooie oplossing voor. Vanaf die tijd beperkt hij zich vooral tot twee thema's: enerzijds bloemen, vooral zonnebloemen en amaryllissen, anderzijds schedels en skeletten. In zijn oeuvre trekken die twee thema's als het ware samen op: het ene moment schildert Andriesse amaryllissen, verleidelijk, rood en fataal, dan volgt er een reeks schedels: soms van mensen, als onvervalst vanitas-symbool, maar ook skeletten van leeuwen, springbokken, ara's en apen. Zowel in De Pont als in het Haags Gemeentemuseum is goed te zien dat zijn oeuvre, juist door die twee `poten' prachtig in balans blijft. Via de skeletten zie je in Andriesses bloemen de vergankelijkheid, de kwetsbaarheid en het bloed. Diezelfde bloemen, daarentegen onthullen de kracht, de vitaliteit en zelfs de humor van zijn skeletten – onder een portret van twee skelet-pinguïns ligt een trots en uiterst levend ei. Dat Andriesse als synthese van deze `poten' vervolgens ook schelpen, schildpadden, krabben en kreeften gaat schilderen is bijna vanzelfsprekend: gepantserder en verstilder doet het leven zich niet voor.

Maar dat is niet de grootste verrassing van deze exposities. Die is dat het oeuvre van Andriesse, hoewel vaak al twintig jaar oud, eruit ziet of het gisteren is gemaakt. Dat heeft ongetwijfeld met de veranderde artistieke tijdgeest te maken, waarin techniek met minder achterdocht wordt bekeken, maar vooral met de kracht van dit werk. Andriesse mag dan geen groot conceptueel filosoof zijn geweest, zijn schilderijen en tekeningen zijn zo dwingend en levendig dat je op deze exposities van de ene verbazing in de andere siddering rolt – een genot. Ik moet me dan ook sterk vergissen wil dit werk na deze exposities weer voor tien jaar in de coulissen verdwijnen. Tijdens de voorbezichtiging hoorde ik een toeschouwer, met een jaren tachtig-echo in zijn stem verbaasd-verongelijkt mompelen dat ,,iederéén dit werk mooi vindt''. De vraag is natuurlijk waarom dat in dit geval, bij een schilder waar de kwaliteit zo onmiskenbaar vanaf spat, een probleem zou zijn. En als het al een probleem is – Vincent van Gogh, toch ook niet echt de minste, schijnt daar ook nogal last van te hebben.

Tentoonstellingen: Erik Andriesse, werken op papier. T/m 14 sept in De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. Di t/m zo 11-17u. Inl: www.depont.nl; Erik Andriesse, schilderijen. T/m 24 aug, Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Di t/m zo 11-17u. Inl: www.gemeentemuseum.nl