Het deflatie-kabinet

Het nieuwe kabinet mag van geluk spreken dat er in Nederland sprake is van inflatie. Anders zou een van de belangrijkste financiële maatregelen uit het regeerakkoord, de bezuiniging op de ambtenarensalarissen en uitkeringen, heel lastig worden om te verwezenlijken. Zonder deze loonmatiging slaagt het kabinet van CDA, VVD en D66 er niet in de beoogde bezuinigingen binnen te halen en de overheidsfinanciën in 2007 volgens de Europese aanbevelingen op orde te hebben. Met andere woorden: inflatie redt JP-II.

Het zit zo. Als de inflatie drie procent bedraagt en de lonen en uitkeringen met drie procent omhoog gaan, dan blijft alles hetzelfde. Een nominale loonsverhoging van drie procent levert dan een reële loonsverhoging van nul procent op en er wordt dus geen bezuiniging binnengehaald. Meedoen – het melige motto van het nieuwe regeerakkoord – stelt voor om de salarissen in de publieke sector jaarlijks met één procentpunt achter te laten blijven. Stel nog steeds dat de inflatie drie procent is, dan stijgen de ambtenarensalarissen en uitkeringen met twee procent. Een nominale stijging van twee is een reële achteruitgang van één procent. Zo wordt er sluipend bezuinigd.

Dit kunstje wordt lastiger naarmate de inflatie minder is. Om hetzelfde effect te bereiken bij een inflatie van één procent zou de overheid aan de vakbonden een nominale bevriezing van de CAO moeten voorstellen. En als de inflatie nul is – prijsstabiliteit – dan moet er sprake zijn van een nominale daling van het inkomen. Maar dat lukt nooit. Probeer als werkgever maar eens aan de bonden te verkopen dat ze een absolute daling van de salarissen moeten accepteren. Zelfs in 1983, toen het eerste kabinet-Lubbers ingreep in de ambtenarensalarissen, is dat niet gebeurd. Toen gingen de ambtenaren er met drie procent in koopkracht op achteruit, maar dat werd bereikt door geen compensatie voor de inflatie te geven.

Voor aanpassingen van de salarissen biedt inflatie dus de mogelijkheid om te bezuinigen door gebruik te maken van het verschil tussen nominale en reële loonstijgingen. Als die ruimte wegvalt, zouden bezuinigingen afgedwongen moeten worden door loonsverlagingen. Dat kán, maar arbeidsonrust en demonstraties laten zich uittekenen. Het kabinet van JP-II mag zich in de handen wrijven dat de inflatie in Nederland tot de hoogste van de Europese Unie behoort.

Uit dit voorbeeld wordt duidelijk dat een beetje inflatie voor de soepele werking van de economie niet gemist kan worden. Het tegenovergestelde verschijnsel, deflatie, vormt juist een bedreiging voor de economie, want het kan leiden tot een spiraal van economische krimp. De laatste keer dat dat massaal gebeurde, was in de jaren dertig van de vorige eeuw. Met verwijzingen naar de `grote depressie' is het niet verbazingwekkend dat men in de Verenigde Staten alarm slaat over de deflatiedreiging. Ook in Europa begint onrust te ontstaan.

Deflatie is het omgekeerde van inflatie: geen prijsstijgingen maar prijsdalingen. Waar inflatie kan worden samengevat als `te veel geld jaagt op te weinig goederen', is bij deflatie sprake van `te weinig geld jaagt op te veel goederen'. Consumenten wachten met bestedingen omdat de prijzen in de toekomst lager zijn, investeringen blijven uit omdat oppotten meer oplevert dan uitgeven. Inflatie is goed voor schulden maken, deflatie voor sparen. Wie bij een prijsdaling van drie procent honderd euro in de ijskast legt, beschikt na een jaar over de koopkracht van honderddrie euro.

De centrale banken kunnen inflatie uit de economie wringen door de reële rente te verhogen. Ze maken geld zo duur dat het schaars wordt en sparen aantrekkelijker is dan uitgeven. Deflatie is moeilijk te bestrijden met monetaire middelen. Een centrale bank kan de nominale rente niet verder verlagen dan nul. Of de centrale banken zou een leenpremie moeten gaan geven.

Japan kampt al jaren met deflatie en nu dreigt er ook deflatie in Duitsland en de Verenigde Staten. Door de sterke euro importeren alle eurolanden bovendien deflatie: met een sterke munt worden importgoederen goedkoper en dat heeft hetzelfde prijsdrukkende effect als hoge rente. Het is onbegrijpelijk dat de Europese Centrale Bank nog steeds vasthoudt aan inflatiebestrijding – al heeft men de formulering van de inflatiedoelstelling onlangs wel iets versoepeld – en de rente niet drastisch heeft verlaagd. De rente in Amerika is lager dan in Europa en de Amerikaanse regering pompt bakken geld in de economie door extra uitgaven en belastingverlaging.

Het nieuwe Nederlandse kabinet gaat precies het tegenovergestelde doen. Er is gekozen voor bezuinigen en er is geen ruimte voor lastenverlichting. Alles bij elkaar betekent dit: deflatie, want minder geld in omloop.

Deflatie past bij de demografische ontwikkeling van vergrijzing en krimpende bevolkingsomvang waarin Japan zich al bevindt en waarop de Europese landen afstevenen. Ouderen zijn spaarders en geen spenders. Een groeiende bevolking bevordert een expansieve economie, een krimpende bevolking juist niet. Ondertussen worstelen alle Europese landen met hun pensioenverplichtingen. Als het geld gedurende langere tijd méér waard wordt, zijn die straks helemaal niet meer te betalen. Het idee waarvan JP bezeten is om de staatsschuld in één generatie af te lossen, is een complete illusie.

Er is dus alle belang bij om de deflatie in de westerse economieën zo krachtig mogelijk te bestrijden. Twee procent inflatie moet niet als maximum maar als minimum gelden. Dáárop moet het begrotingsbeleid van nieuwe kabinet inzetten.

rjanssen@nrc.nl