Alles fonetisch! Ook mwnwgl en llwgr

Uit elke trein die hier stopt stappen een paar toeristen. Niet veel, want dit dorp is niets, heeft niets: een pleintje bij het station, links een winkelcentrumpje waar alles afgeprijsd is, rechts een obelisk voor de 28 mannen die dit dorp tussen 1914 en 1918 verloor. Het huis ernaast staat te koop. Meer dan dat pleintje, een straat naar links en een straat naar rechts is dit dorp niet. Het is stil, nat en winderig. Een oude man laat zijn hond uit. De toeristen fotograferen de naam op het stationsgebouw, nemen een koffie in het winkelcentrum en pakken de volgende trein, naar Holyhead, aan het eind van het eiland Anglesey, of terug naar Bangor, op het noordwestelijke puntje van het vasteland van Wales.

Inderdaad, Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch is niets, geeft een mevrouw in het winkelcentrum toe. Het is een naam, die toeristen komen voor de naam. Maar verder – ja, je kunt van hier naar Beaumaris, een van die prachtige kastelen waarvan de Engelse koning Edward I er eind dertiende eeuw een hele reeks heeft laten bouwen om de opstandige Welshmen onder de duim te houden. En je kunt hier mooi wandelen, zegt de mevrouw. En er is nog de markies van Anglesey, hij was in Waterloo plaatsvervanger van Wellington, bij het laatste kanonschot van de slag verloor hij een been (`By God, Sir, I've lost a leg!' Waarop Wellington: `By God, Sir, so you have!'). Aan de rand van het dorp kijkt de markies – nog met twee of al met één been – vanaf een dertig meter hoge zuil uit over de Straat van Menai, die Anglesey scheidt van het vasteland. Maar verder? Verder is Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch niets, zo geeft ze toe.

De naam is kitsch. Het was een kleermaker die het dorp midden 19de eeuw zijn naam gaf, zegt ze. Hij naaide gewoon de karakteristieken van het dorp aan elkaar. De naam is Welsh voor `Kerk van de Heilige Maria in de kom van de witte hazelaar, bij de wilde draaikolk en de kerk van Tysilio bij de Rode Grot'. De kerk van Maria vind je aan het ene eind van het dorp, die van Tysilio aan het andere eind, op het eilandje in de Straat van Menai dat je ziet liggen als je langs de markies op zijn zuil over de brug Anglesey oprijdt. De draaikolk ontstaat hier als bij vloed het water van twee kanten in de Straat van Menai wordt opgestuwd. Alleen die rode grot, waar die is weet niemand, zegt ze.

De naam is kitsch omdat de Welshmen hun woorden doorgaans niet aan elkaar plakken zoals de Duitsers dat zo goed kunnen, en de Hongaren nog beter. Op de kaart van Wales komen verder geen lange namen voor. Aberystwyth is zo'n beetje de langste, met Machynlleth en Llandrindod Wells.

De Welshmen zijn zuinig op hun Llanfairpwll, zoals het dorp doorgaans wordt genoemd en zoals het in het spoorboekje voorkomt – een metalen stem die in de trein de volgende halte aankondigt spreekt dat uit als Hanvairpoech. De Welsmen zijn ook zuinig op hun Keltische taal. Twintig jaar geleden, zegt een politieman die deze gestrande reiziger bij een verlaten bushalte in een verlaten dorp oppikt om hem in zijn politieauto naar de volgende bestemming te brengen, twintig jaar geleden dreigde de taal uit te sterven. Nog maar veertien procent van de mensen sprak de taal. Maar toen is de taal op school verplicht gesteld. En er kwam een tv-kanaal in het Welsh. Nu spreekt al twintig procent de taal. De oudste van Europa, zegt de politieman trots, Fenster, fenêtre, finestra, venster – het komt allemaal van ons ffenestr.

Erg toegankelijk is de taal niet. Sprekers van het Noord-Welsh en het Zuid-Welsh verstaan elkaar al nauwelijks. Bovendien lijken veel woorden te zijn samengesteld door een blinde die lukraak in het alfabet heeft geprikt. Weinig is herkenbaar. Bws voor bus, tacsi voor taxi, ffôn voor telefoon – dat gaat nog wel. Ysgol voor school is herkenbaar als je het weet. Ook de getallen un, dau en tri voor een, twee en drie lukken aardig, maar vier, vijf en zes (pedwar, pump en chwech) zijn al moeilijker. Heddlu betekent politie, ysbyty ziekenhuis. En wat te denken van schijnbaar klinkerloze woorden als cwlwm (knoop) of llwgr (corrupt), mwrllwch (smog) of mwnwgl (nek)? De w is een klinker – soms een u als in rug, soms een oe. Maar soms is het gewoon een w.

Een gecompliceerde taal. Talrijke meervoudsregels maken woorden onherkenbaar, want wie vindt in cymoedd nog het enkelvoud cwm (dal) terug? Een woordenboek biedt geen uitweg, woorden veranderen al naar gelang de begeleidende voornaamwoorden. Een a kan een mutatie van een g zijn, ngh kan een mutatie van een c zijn. Er zijn twintig van zulke mutaties. Kat in het Welsh is cath. Maar `de kat' is y gath, `haar kat' is ei chath en `mijn kat' is fy nghath. `Mijn hond' is fy nghi, `zijn hond' is ei gi, `haar hond' is ei chi en `hun hond' is eu ci. Je moet de mutatieregels kennen zelfs voor je het woordenboek open slaat. Het woord nghi staat er niet in.

Ook de uitspraak baart de buitenlander problemen. We spreken alles fonetisch uit, zegt de politieman, maar hij bedoelt hooguit dat de Welshmen geen letters inslikken. Ze worden in elk geval niet hetzelfde uitgesproken. De plaatsnaam Tywyn klinkt als Tawien – waarom de eerste y als een a moet worden uitgesproken en de tweede niet kan niemand uitleggen. Waarom in Llanfairpwllenzovoorts de eerste dubbele l als een zachte h klinkt en de tweede als een harde ch blijft ook onuitgelegd. Wie de weg vraagt naar Llanelli en dat uitspreekt zoals het er voor ons staat, komt er nooit, want Llanelli moet klinken als Klenèkli.

De Welshmen zitten er niet mee. Hun taal is heilig. Er komen hier veel Engelsen, zegt de politieman, het is rustig en de huizen zijn goedkoop. En de taal leren ze niet, maar hun kinderen leren hem wel, en over een generatie, zegt hij tevreden, over een generatie zijn ze allemaal Welsh.