Zaak over `haatzaaien' van de baan

Het vervolgen van een aantal politici en journalisten wegens `haatzaaien' jegens Pim Fortuyn is van de baan. Het gerechtshof in Den Haag heeft de klacht van de advocaten Spong en Hammerstein tegen het openbaar ministerie in Rotterdam, dat op 4 juni 2002 besloot niet tot vervolging over te gaan, verworpen.

Het hof verklaart de klagers niet-ontvankelijk, omdat zij geen ,,rechtstreeks belanghebbenden'' zijn. Ook de partijen die Spong en Hammerstein vertegenwoordigden, de nabestaanden van Fortuyn en de LPF, worden niet als zodanig beschouwd. Voor Fortuyn zelf is het procesbelang inmiddels verdwenen, zo stelt het hof, omdat hij is overleden nog voor het OM de aangifte seponeerde: ,,Vóór zijn overlijden zou een klacht prematuur en op die grond niet ontvankelijk zijn geweest, omdat er nog geen sprake was van een sepotbeslissing en na zijn overlijden kon ook niet meer namens hem zodanige klacht worden gedaan omdat hij inmiddels niet meer als rechtstreeks belanghebbende kon worden aangemerkt.''

De LPF onderzoekt of beroep kan worden ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hoofdbestuur noemt het ,,zeer teleurstellend dat geen rechter nu nog een oordeel kan geven over de demonisering van wijlen onze oprichter en lijsttrekker in de aanloop naar de verkiezingen van mei 2002. Te meer daar inmiddels ook het motief van de moordenaar bekend is.''

Spong en Hammerstein zelf waren vanochtend niet bereikbaar voor commentaar. De advocaten deden na de moord op Fortuyn aangifte tegen de politici T. de Graaf (D66), B. Eenhoorn (VVD) en R. Oudkerk (PvdA). De beklaagde journalisten waren M. van Dam (Vara en de Volkskrant), P. Storm (De Socialist), M. Verkamman (Trouw), de redactie van NRC Handelsblad en de makers van enkele websites.

Spong en Hammerstein baseerden hun aangifte op het zogeheten `haatzaai'-artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht, dat groepen personen beschermt tegen haat op grond van ras, geloof of levensovertuiging. Het hof is het met het OM eens dat de aangifte betrekking had op uitspraken over Fortuyns politieke gedachtengoed. Dat valt niet onder de reikwijdte van het wetsartikel.